In naam van Allah, de Enige Ware God
de Oneindig Barmhartige, de Oneindig Genadige
Adam (alaihis salaam)
Eerste Mens en Profeet
Michel Soebhan
%20Eerste%20Mens%20en%20Profeet_bestanden/image002.gif)
Surinaamse Moeslim Associatie
Een uitgave van:
de Surinaamse Moeslim Associatie
Samensteller:
M.I. Soebhan
Druk, lay-out en vormgeving:
S.M.A.-Printing
Verkrijgbaar:
Secretariaat S.M.A.
Kankantriestraat 32-40
Paramaribo
Tel.: 403467 – P.O.B.: 9067
Paramaribo,
De schepping van Adam (alaihis salaam)
Alle lof zij aan Allah Ta Ala, de Heer der werelden. Vrede en zegeningen van Allah Ta Ala zij met Zijn laatste profeet en boodschapper, Hazrat Moehammad Moestafa, zijn nakomelingen, huisgenoten en volgelingen tot de Laatste Dag. Moge Allah Ta Ala ons beschermen tegen de verleidingen van Satan, de vervloekte. In naam van Allah, de Meest Barmhartige, de Meest Genadige. Vrede, barmhartigheid en zegeningen van Allah Ta Ala zij met degenen, die de waarheid volgen.
Profeten zijn bijzondere dienaren van Allah Ta Ala, die als bemiddelaars tussen de mens en zijn Schepper gesteld zijn. Zij werden op aarde gezonden om de boodschap van God aan hun respectievelijke volkeren over te brengen. Er werden daarom tot alle volkeren van de wereld profeten gestuurd. Er zijn in totaal meer dan honderd vierentwintigduizend profeten op aarde gekomen. Vijfentwintig daarvan zijn met hun naam in de Qoer’aan Al Kariem genoemd.
De profeten zijn door Allah Ta Ala begunstigd met bijzondere gaven, zoals zondeloosheid en kennis van de verborgenheid. Zij hebben bovennatuur-lijke krachten en kunnen wonderen verrichten. Hun lichamen kunnen na hun dood niet worden aangetast door de aarde en zij leven na hun dood buiten ons gezichtsvermogen voort. Alle profeten zijn mannen. Er zijn geen vrouwelijke profeten, noch zijn er onder de andere schepselen profeten geweest.
De eerste profeet, die op aarde kwam, was Adam (alaihis salaam) en de laatste is de Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam). Na hem zal er geen nieuwe profeet meer komen De naam van Adam (alaihis salaam) is van alle profeten het eerst genoemd in de Qoer’aan Al Kariem. Hij was volgens de leer van de islam tevens de eerste mens. De islam leert, dat alle mensen afstammelingen van Adam (alaihis salaam) zijn, in tegenstelling tot enkele andere leerstellingen, die beweren, dat de mens van dieren afstamt.
Er is in dit boek getracht om een beknopte, maar volledige levensbeschrij-ving te geven van deze eerste mens en profeet, wiens titel Aboel Bashar is, hetgeen de vader van de mensheid betekent. Het uitdrukken van zijn gevoelens en wederwaardigheden in boekvorm is niet mogelijk. Er is wel getracht om de belangrijkste momenten en gebeurtenissen uit zijn leven in korte bewoordingen op schrift te stellen om een beeld te schetsen van het zware leed, dat de vader van alle mensen heeft moeten doorstaan en alle ontberingen en smart, die hij zich heeft moeten getroosten.
Michel Soebhan
De schepping van Adam (alaihis salaam)
Er zijn vele dingen door Allah Ta Ala geschapen. Het eerste van al deze dingen was een licht. Dat was het licht van de Laatste Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam). Hij werd vóór alle andere dingen het eerst geschapen in de vorm van een licht.
Heel lang bleef het licht van de Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) in de nabijheid van Allah Ta Ala en hield zich bezig met Zijn aanbidding. Toen schiep Allah uit het licht van Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) vele lichtdeeltjes. Met al die deeltjes van licht schiep Hij alles wat zich in de hemelen en de aarde bevindt. Veel later werd de mens geschapen uit klei van de aarde.
Klei vanuit de aarde
Toen Allah Ta Ala besloot om de mens te scheppen, gaf Hij de Aartsengel Djibriel (alaihis salaam) opdracht om klei vanuit de aarde voor Hem te brengen. Deze kwam op aarde, maar kon het gejammer van deze niet doorstaan en keerde onverrichter zake terug.
Daarna kregen de engelen Miekaiel (alaihis salaam) en Israfiel (alaihis salaam) achter elkaar dezelfde opdracht, namelijk om klei vanuit de aarde voor Allah Ta Ala te brengen. Ook zij konden niet tegen de weigering van de aarde en keerden zonder succes terug.
Tenslotte werd de Doodsengel Izraiël (alaihis salaam) met dezelfde opdracht op aarde gestuurd. Die kwam en nam vanuit alle delen van de aarde allerlei soorten klei mee, ondanks zware strubbelingen van deze. Daaronder bevonden zich alle kleuren en vormen van de diverse bestanddelen van de aarde. Daaruit werd de mens geschapen. Daarom zijn er verschillende rassen, met vele kleuren, vormen, karakters en mentaliteiten onder de mensen, ondanks dat zij allemaal van één vader en één moeder afstammen.
Veertig jaren lang daalde er daarna een regen van genade en zegeningen van Allah Ta Ala op die hoeveelheid klei en stof neer, die op aarde tussen de steden Mekka en Taif was neergelegd. Daarna maakte Allah Ta Ala met die klei een beeld in de vorm van de mens, dat later het lichaam van de eerste mens zou worden. Dat beeld bleef veertig jaren lang in levenloze toestand op dezelfde plaats liggen.
Jaloezie van Iblies; de schepping van de hond
Terwijl het beeld van klei daar lag en alle schepselen er met gevoelens van verbazing en respect naar keken, groeide de jaloezie van Iblies tegen dit nieuwe schepsel van Allah Ta Ala. Hij vermoedde, dat de schepping van de mens iets bijzonders tot gevolg zou hebben, waarbij hij het aanzien onder de engelen en de rest van de schepping zou verliezen. Uit afgunst voor het nieuwe schepsel spuwde hij erop. Het speeksel kwam op het beeld van klei terecht op de plaats van de navel. Allah Ta Ala schepte het speeksel van Iblies samen met de klei uit het beeld en schiep daaruit de hond. Dit dier werd dus geschapen uit menselijke stof, vermengd met het speeksel van Iblies. Daarom is de hond trouw aan de mens, maar bezit ook afgunst voor het eigen soort.
De engelen over de schepping van de mens
De engelen verwonderden zich om de schepping van dit voor hen vreemde wezen. Zij vroegen zich af waar het voor nodig was om de mens te scheppen, terwijl zijzelf Allah Ta Ala verheerlijkten en Zijn lof verkondigden.
“De mens zal bloed vergieten en onderling verderf zaaien”, zeiden zij tot elkaar. Allah Ta Ala zei: “Ik weet hetgeen gij niet weet.”
(Al Qoer'aan hoofdstuk 2 vers 32 )
De positie van de mens in de schepping
Het beeld van klei krijgt leven
Allah Ta Ala plaatste het licht van Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) op het voorhoofd van het beeld van klei, waardoor het begon te schitteren. Hij blies uiteindelijk leven in het beeld, waardoor dit langzamerhand in vlees en bloed veranderde.
Naarmate de verandering zich voltrok, probeerde Adam (alaihis salaam) haastig op te staan, waarbij hem een nies ontviel, waarop hij spontaan zei: “alhamdoelillaah”, hetgeen betekent: "Allah zij geprezen". Allah Ta Ala zegende hem terstond met de woorden: “jarhamoekallaah”. Dit betekent: "Allah zij u genadig ".
Het eerste wat de mens deed bij zijn schepping was dus het lofprijzen van Allah Ta Ala, zijn Schepper.
De kennis van Adam (alaihis salaam)
Allah Ta Ala leerde Adam (alaihis salaam) de namen en hoedanig-heden van alle dingen. Daarna vroeg Hij aan de engelen om de namen van alle dingen op te noemen. De engelen gaven blijk van hun gebrek aan kennis ten aanzien hiervan, waarop Adam (alaihis salaam) de namen en hoedanigheden van alle reeds bestaande en toekomstige dingen in alle talen opnoemde. Allah Ta Ala zei tegen de engelen: “Had Ik niet gezegd, dat Ik datgene weet, wat u niet weet?”
De verheffing van Adam (alaihis salaam)
Adam (alaihis salaam) werd daarna door Allah Ta Ala verheven tot het hoogste schepsel en alle engelen kregen samen met hun leider, de djinn Iblies, het bevel om zich uit eerbetoon voor hem neer te werpen in een diepe buiging met hun voorhoofd op de grond.
Iblies, de aartsvijand van alle mensen
De verstoting van Iblies
Alle engelen wierpen zich neer, behalve Iblies. Driehonderd jaar lang bleven alle engelen in neerbuiging voor Adam (alaihis salaam), terwijl Iblies gedurende die gehele tijd in weigering bleef staan. Naarmate de tijd verstreek, verloor hij zijn schoonheid en kreeg hij een afschuwelijke gedaante.
Deze djinn, die door zijn ogenschijnlijke vroomheid en gehoor-zaamheid aan Allah Ta Ala, zich had weten te verheffen tot leraar en leider van alle engelen, weigerde eerbetoon te betuigen voor Adam (alaihis salaam), stellende dat hij beter was dan deze. "Ik ben beter dan hij; U schiep mij uit vuur en U schiep hem uit klei", zei hij. Hij negeerde het bevel van God uit hoogmoedigheid.
Allah Ta Ala sprak hierop Zijn eeuwige vloek uit over Iblies vanwege zijn ongehoorzaamheid en hoogmoedigheid. Hij werd verstoten uit de kringen van de vooraanstaanden. Hij werd uit het paradijs verjaagd en de toegang daartoe werd hem verboden.
Adam (alaihis salaam) in het paradijs; Moeder Eva
Adam (alaihis salaam) kreeg het paradijs toegewezen als verblijf-plaats. Hij voelde zich echter eenzaam en om zijn genoegdoening schiep Allah Ta Ala uit een rib van Adam (alaihis salaam) zijn wederhelft, Moeder Eva. Dat gebeurde toen de slaap hem op bevel van Allah Ta Ala overviel in het paradijs. Toen hij wakker werd, ontdekte hij een beeldschone vrouw naast zich.
Hun huwelijk werd door Allah Ta Ala in tegenwoordigheid van de engelen ingezegend. Zij waren vrij om zich in het paradijs overal waar zij wilden te begeven en er vrij van te eten wat zij verkozen, behalve van één boom, die zij niet eens mochten naderen.
Boze plannen van Iblies
Door dit alles werden de jaloersheid en het wraakgevoel van Iblies aangewakkerd. Hij begon middelen te bedenken om Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva uit het paradijs te laten verdrijven. Hij nam stiekem zij intrek in de buurt van de paradijspoort, van waaruit hij kon zien wat er allemaal in het paradijs gebeurde.
Plotseling zag hij de pauw heel dicht bij de ingang van het paradijs en riep hem aan. Hij vroeg hem zijn ondersteuning om in het paradijs te komen. Hij vertelde hem, dat hij dat wilde doen om het weer goed te maken met Allah Ta Ala. Hij zou zich alsnog neerwerpen voor Adam (alaihis salaam). De pauw raakte bevreesd, maar kreeg tegelijkertijd medelijden met Iblies.
Hijzelf wilde hem niet binnen het paradijs brengen, maar zou iemand vragen om het te doen. Hij vond de slang bereid om Iblies onopgemerkt in het paradijs te brengen. De slang verborg de verstotene in zijn bek en bracht hem zo in het paradijs, waar Iblies direct contact maakte met Adam (alaihis salaam).
De list van Iblies
Jammerend en weemoedig klagend probeerde hij de aandacht van Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva te trekken. Hij vertelde hen, dat dezen gedoemd waren te sterven en de geneugten van het paradijs te verliezen. Om dat te voorkomen, moesten zij een vrucht van de door Allah Ta Ala aan hen verboden boom eten. Met listige beloften en leugens probeerde hij Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva te overtuigen dat de verboden boom alleen maar onsterfelijkheid zou brengen voor dezen, als zij daarvan zouden eten. Adam (alaihis salaam) weigerde echter met vastberadenheid om datgene te doen dat hem door Allah Ta Ala verboden was. Hij verklaarde, dat hij in geen geval zou eten van de verboden boom. Hij wilde ten koste van alles gehoorzaam zijn aan Allah Ta Ala, Die hem geschapen had. Was het niet genoeg dat hij het paradijs had gekregen van zijn Schepper? Wat wilde hij nog meer hebben? Weigerend stond hij op en verliet Iblies, Moeder Eva alleen achterlatend met de vijand.
De verleiding van de mens
Moeder Eva door Iblies verleid
Toen Iblies bemerkte, dat zijn list en leugens bij Adam (alaihis sa-laam) niet mochten baten, probeerde hij Moeder Eva te verleiden. Het zachtmoedige hart van de vrouw bezweek voor het verleidelijke gejammer en geklaag van de vijand, die zich als hun grootste weldoener voordeed.
Zij begaf zich naar haar echtgenoot en bood aan om de verboden vrucht het eerst te proberen. Zij zei aan Adam (alaihis salaam): “Laat mij er eerst van proeven. Heeft Iblies gelijk, dan zullen wij eeuwig van de vruchten van het paradijs blijven genieten. Blijkt echter, dat ik gezondigd heb, vraag dan vergiffenis voor mij aan onze Heer.”
De daad bij het woord voegend, stopte zij een vrucht van de verboden boom, die zij van Iblies had gekregen in haar mond, hoezeer Adam (alaihis salaam) haar ook verbood om dat te doen. Daarop werd zij door Iblies aangespoord om er meer van te eten en het ook aan haar echtgenoot aan te bieden.
Adam (alaihis salaam) volgt Moeder Eva
Nadat Moeder Eva had gegeten van de verboden vrucht, merkte zij daar niets schadelijks aan. Zij probeerde haar echtgenoot over te halen om er ook van te eten en vertelde hem over de zoetigheid van de vrucht, die hen verboden was te eten door Allah Ta Ala. Had Satan misschien gelijk, dacht zij?
Adam (alaihis salaam) geraakte zodanig onder de indruk van de verleidelijke woorden van Moeder Eva, dat hij de belofte aan Allah Ta Ala vergat. Moeder Eva stopte hem een vrucht van de verboden boom in de mond, die door hem onbewust werd opgegeten. Adam (alaihis salaam) at van de verboden boom en beging een overtreding, hoewel het geenszins zijn bedoeling was om ongehoorzaam te zijn aan Allah Ta Ala. De Qoer’aan Al Kariem zegt hierover het volgende: “Wij hadden een verbond met Adam, doch hij vergat zijn belofte. Het was zeker geen opzet van hem.”
Berouw van Adam (alaihis salaam)
Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva kregen berouw van hetgeen door hen was misdaan. En omdat zij berouw kregen, werden Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva vergeven door Allah Ta Ala.
Iblies daarentegen, kreeg geen vergiffenis, omdat hij welbedacht en bewust de overtredingen beging en nimmer berouw toonde. Kortom, het gelukte Satan om Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva te verleiden. Allah Ta Ala zegt in de Qoer’aan Al Kariem: “Wij zeiden: O Adam, Hij is zeker een vijand voor jou en jouw echtgenote; laat hem jullie niet uit het paradijs verdrijven, opdat jullie in problemen komen te verkeren.”
De overwinning van Satan
De onttroning van Adam (alaihis salaam)
Nadat Adam (alaihis salaam) van de verboden boom had gegeten, verdween de paradijskroon, die hij op zijn hoofd had samen met de paradijskledij waarmee zijn lichaam bedekt was.
Het is vermeld, dat de lichamen van Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva in het paradijs uit zachte nagelachtige stof bestond. Zij behielden dat nu slechts aan de toppen van hun vingers, terwijl de rest van hun lichamen verkleurden en verbleekten.
Zij bemerkten, dat zij naakt waren en haastten zich naar de bomen van het paradijs om zich met hun bladeren te bedekken. Maar welke boom zij ook naderden, verwijderde zich van hen en verschafte hen geen bladeren. De Qoer’aan Al Kariem zegt hierover het volgende: “Toen zij beiden van de verboden boom hadden geproefd, bemerkten zij hun naaktheid tegenover elkaar. Zij bedekten zich daarop met bladeren uit het paradijs.”
Terwijl zij tevergeefs probeerden om zich te bedekken en te verbergen, hoorden zij de stem van hun Heer, Die hen beiden herinnerde aan Zijn vermaning en hun belofte aan de Heer om de verboden boom niet te naderen. Wij lezen hierover in de Qoer’aan Al Kariem het volgende:
“En hun Heer riep hen aan en zei: Had Ik jullie niet verboden om van die ene boom te eten en had Ik jullie niet gewaarschuwd tegen Satan, die jullie aartsvijand is?”
Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva uit het paradijs gezet
Plotseling geraakte Adam (alaihis salaam) met zijn hoofdhaar verstrikt aan een tak van de appelboom en bleef daaraan hangen. Tot Djibriel (alaihis salaam) opdracht kreeg van Allah Ta Ala om hem uit de greep van de boom te bevrijden en buiten het paradijs te zetten. Zo vertrok een stoet, bestaande uit Adam (alaihis salaam), Moeder Eva, de slang, de pauw en Satan, opgedreven door Djibriel (alaihis salaam) op weg naar de uitgang van het paradijs. Onderweg probeerde Adam (alaihis salaam) zonder succes enkele bladeren van de bomen die zij tegenkwamen te bemachtigen om zich daarmee te bedekken.
Tot tenslotte de vijgenboom medelijden betoonde en een van zijn takken naar Adam (alaihis salaam) liet zakken. Deze brak daarvan acht bladeren. Vijf daarvan gaf hij aan Moeder Eva en drie gebruikte hij zelf om zijn lichaam te bedekken. En zo kwamen zij op aarde. Adam (alaihis salaam) met een kleding van drie bladeren en Moeder Eva met een van vijf. Daarom bestaat de doodskleed in de islam voor mannen uit drie lappen stof en voor vrouwen uit vijf.
Beproevingen voor de ouders van de mensheid
Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva kregen tal van beproevingen van Allah Ta Ala als gevolg van hun overtreding. Zij kregen de toorn van Allah Ta Ala over zich. Zij kregen besef van hun naaktheid, hetgeen hen tot schaamtegevoel noopte. Hun lichamen waren eerst glanzend wit als nagels. Dat werd veranderd in bleekheid en slapte. Zij werden uit de nabijheid van hun Heer verdreven.
Beiden werden naar de aarde gestuurd, waar zij uit elkaar gezet werden. De aarde werd tot een plaats van beproevingen voor Adam (alaihis salaam) en zijn nakomelingen gemaakt, waar zij zich moeite en inspanningen moesten getroosten om in leven te kunnen blijven. Ook Satan werd samen met de slang en de pauw verdreven uit het paradijs. Allah Ta Ala sprak de vloek over hem uit tot de Laatste Dag. Het paradijs werd voor hem verboden verklaard. Satan werd tot de aartsvijand van de nakomelingen van Adam (alaihis salaam) gemaakt. Hij kreeg een onbeperkte macht over hen.
Toen Adam (alaihis salaam) het paradijs verliet, sprak hij de engelen als volgt toe: “O engelen, u bent Allah Ta Ala dierbaar. Ik groet u voor de laatste maal. Ik heb een overtreding begaan, maar noem mij geen zondaar, omdat ik de goddelijke wet bij vergissing heb overtreden. Er was geen opzet bij”.
Adam (alaihis salaam) had berouw van hetgeen gebeurd was en hij rekende op de vergevensgezindheid en barmhartigheid van zijn Heer. Hij hoopte het paradijs ooit terug te krijgen.
Het is vermeld, dat Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva, evenals de pauw en de slang door de engelen gescheiden van elkaar op vier ver-schillende plaatsen op aarde werden achtergelaten. Adam (alaihis se-laam) werd in India en Eva in de valleien van Jedda in Arabië achtergelaten. De afstand tussen beiden bedroeg vijfduizend mijl.
De pauw kwam in Afrika en de slang in Perzië terecht. Er werd eeuwige vijandschap gesticht tussen Satan en de mens en tussen de pauw en de slang, die aanvankelijk op poten liep. Als straf werden hem zijn poten afgenomen en moest hij voortaan voortkruipen om zich te verplaatsen.
Adam (alaihis salaam) nam op een hartverscheurende manier afscheid van Djibriel (alaihis salaam), toen deze hem op aarde alleen achterliet en terugging naar de hemel. Er brak voor hem een tijd van hard werken en ontberingen aan.
Adam (alaihis salaam) kwam kort voor zonsondergang op aarde. Korte tijd daarna zag hij de zon, die de aarde keurig verlicht had onder de horizon verdwijnen. Daarna werd alles rondom hem heen donker. Adam (alaihis salaam) raakte hierdoor bevreesd, want in het paradijs was er geen duisternis. Hij had voor de eerste keer sinds zijn schepping duisternis meegemaakt. Allerlei geluiden van gevaarlijke dieren veroorzaakten een angstige sfeer voor de eenzame Adam (alaihis salaam).
De herwinning van het paradijs
Het berouw van Adam (alaihis salaam)
Een eeuw lang bleef Adam (alaihis salaam) in deze toestand van eenzaamheid zijn Heer om vergiffenis smeken, totdat Allah Ta Ala de dieren op aarde opdracht gaf om hem te bezoeken en te troosten. In plaats daarvan nam echter het verdriet van Adam (alaihis salaam) toe. Hij begon heviger te jammeren en te wenen. Bij het horen van het pijnlijke gejammer en geklaag van Adam (alaihis salaam) geraakten de dieren bevreesd. Zij verlieten hem en liepen haastig weg met de opmerking, dat Adam (alaihis salaam) een grote overtreding moest hebben begaan, waardoor hij het slachtoffer was geworden van dit grote verdriet.
Smeekgebed van Adam (alaihis salaam)
Het lijden van Adam (alaihis salaam) nam door deze opmerking van de dieren toe en hij beklaagde zich bij zijn Heer over hun spotternij. Hij was al uit het paradijs gezet. Hij vroeg aan zijn Heer, of hij om die ene overtreding, begaan in het paradijs ook door de aardbewoners vernederd moest worden, terwijl hij langer dan een eeuw berouw had getoond. Hij vroeg aan Allah Ta Ala wanneer hij uit deze ellende verlost zou worden.
Allah Ta Ala verhoort de berouwvolle
De aartsengel Gabriël (alaihis salaam) kreeg opdracht van God om de adzaan (aankondiging van het gebed) voor Adam (alaihis salaam) op te roepen, opdat deze bevrijd zou worden van zijn verdriet. Adam (alaihis salaam) hoorde daarbij de naam van de meest geliefde van Allah Ta Ala, de Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) noemen. Adam (alaihis salaam) vroeg Allah Ta Ala om hem omwille van deze geliefde profeet te vergeven. Het smeekgebed van Adam (alaihis salaam) werd verhoord en zijn berouw werd geaccepteerd.
Vergiffenis in naam van de Geliefde van Allah
Djibriel (alaihis salaam) kreeg wederom opdracht van zijn Heer om Adam (alaihis salaam) op aarde te bezoeken. Deze keer om hem de blijde tijding mede te delen, dat zijn berouw geaccepteerd en zijn smeekgebed verhoord was, omdat hij de gezegende naam van de geliefde profeet van Allah Ta Ala, de naam Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) als bemiddeling had gesteld.
De vijf verplichte dagelijkse namaaz
De fadjrnamaaz
Hazrat Djibriel (alaihis salaam) kwam terstond bij Adam (alaihis salaam) en riep hem op om twee rak’aat namaaz te doen. Een rak’ah om Allah Ta Ala te danken voor het verhoren van zijn gebed en de andere omdat hij weer was geaccepteerd door zijn Heer. Adam (alaihis salaam) voldeed aan deze opdracht. Het was toen kort voor zonsopkomst, dus fadjrtijd. Deze twee rak’aat namaaz van Adam (alaihis salaam) werden opgenomen in de vijfmaal daags verplichte gebeden voor de moeslims als de twee rak’aat farz van de fadjr (de ochtend). Adam (alaihis salaam) is dus de eerste persoon die de twee rak’aat fadjr heeft gebeden.
De zohrnamaaz
De eerste persoon die de zohrnamaaz deed was Hazrat Ibrahiem (alaihis salaam). Dat gebeurde toen hij van Djibriel (alaihis salaam) vernam, dat Allah Ta Ala zijn offer had geaccepteerd. Het was toen zohrtijd. Bij het horen van deze blijde tijding van de Aarsengel, stond Ibrahiem (alaihis salaam) terstond op en bad vier rak’aat namaaz, hetgeen voor de gelovigen als een verplichting werd gesteld.
De asrnamaaz
Toen Hazrat Joenoes (alaihis salaam) door de walvis was opgeslikt, hoorde Hazrat Joenoes (alaihis salaam) in de diepste van de zeeën een stem, die Allah Ta Ala lofprees. Hij vroeg zijn Heer van wie die stem was. Allah Ta Ala openbaarde aan Joenoes (alaihis salaam), dat het de stem was van het gesteente op de zeebodem. Terstond stond Joenoes (alaihis salaam) op en bad vier rak’aat namaaz om zijn Heer te lofprijzen. Het was toen kort voor zonsondergang, dus asrtijd. Zodoende werden deze vier rak’aat opgenomen in de dagelijkse verplichte gebeden van de gelovigen.
De maghrib namaaz
Hazrat Iesa (alaihis salaam) was de eerste persoon die de drie rak’aat maghribnamaaz had gebeden. De eerste rak’ah deed hij om de mensen te wijzen, dat hij geen God kon zijn, omdat hijzelf de Enige Ware God aanbad. De tweede rak’ah was een aanduiding, dat zijn moeder, de Heilige Maagd Mariam (alaihis salaam) geen God kon zijn. De derde rak’ah bad hij om de mensen te leren, dat zij ook de Enige Ware God en Schepper van het heelal moesten aanbidden.
De ishaanamaaz
De vier rak’aat van de ishaanamaaz werd voor het eerst gebeden door Hazrat Moesa (alaihis salaam). Toen deze de stad Mad’jan samen met zijn echtgenote verliet, werd hij onderweg gekonfronteerd met tal van beproevingen. Op de berg Toer aangekomen werd Moesa (alaihis salaam) door Allah Ta Ala toegesproken. Hij stond uit blijdschap onmiddellijk op en bad vier rak’aat namaaz. Het was toen geheel donker en vrij laat in de avond, dus ishaatijd. Deze vier rak’aat namaaz werd ook verplicht gesteld voor de gelovigen.
Harde tijden voor Adam (alaihis salaam)
De mens en zijn behoeften
Nadat Adam (alaihis salaam) de blijde tijding van vergiffenis door Allah Ta Ala had vernomen, bad hij als volgt tot Hem.
"Rab-banaa zalamnaa anfoesanaa wa inlam taghfirlanaa wa tar-hamnaa lanakoenan-na minal gaasirien."
(Soerah Al A'raaf vers 22)
Vertaling: "Onze Heer, wij hebben onszelf onrecht aangedaan. Als U ons niet vergeeft en ons niet genadig bent, zullen wij zeker tot de verlorenen behoren."
Deze nederige woorden verschaften Adam (alaihis salaam) troost en moed. Zijn toestand werd weer normaal en hij begon de menselijke zwakheden als honger, dorst, vermoeidheid en eenzaamheid enz. te gevoelen. Voordien was hij uit berouw over zijn overtreding dat alles vergeten. Nu gevoelde hij behoefte aan voedsel, gezelschap, rust enz.
Het erfenisaandeel voor mannen en vrouwen
Adam (alaihis salaam) riep Hazrat Djibriel (alaihis salaam) aan, die voor hem drie tarwezaden bracht. Eén daarvan was voor Moeder Eva en de twee andere voor Adam (alaihis salaam) bestemd. Het erfenisaandeel is voor mannen daarom het dubbele van dat van de vrouw. Dat was als vergelding voor het eten van de vrucht uit de verboden boom zonder haar echtgenoot eerst te raadplegen. Adam (alaihis salaam) wilde, gedreven door zijn honger, zijn aandeel direct opeten. Dat werd hem belemmerd door Djibriel (alaihis salaam). Hij moest nog geduld betrachten.
De eerste werktuigen en gereedschappen
Djibriel (alaihis salaam) bracht enkele benodigde dingen voor Adam (alaihis salaam) zoals gras, stro, ijzer, een molen, een moker, een blaasbalg, hout, handschoenen en vuur. Het vuur, dat van djahannam afkomstig was, verliet Adam (alaihis salaam) onmiddellijk, doorboorde de oceanen en verdween door de aardbodem, maar liet zijn invloed achter in het aardse gesteente. Er ontstaan daarom vonken wanneer twee stenen tegen elkaar geslagen worden.
Harde tijden voor Adam (alaihis salaam)
Nadat Adam (alaihis salaam) de benodigde werktuigen en producten van Djibriel (alaihis salaam) had gekregen, begreep hij dat het leven op aarde verstoken was van de geneugten van het paradijs, waar alles naar wens geschiedde. Hij moest hier zwoegen en hard werken om aan zijn dagelijks brood te komen, hetgeen in het paradijs een genot was en op aarde een levensbehoefte.
Adam (alaihis salaam) kreeg opdracht van Djibriel (alaihis salaam) om het ijzer te smeden en er een ploeg van te vervaardigen. Adam (alaihis salaam) sloeg met het ijzer op een steen waarop er vuur ontstond, waarmee het ijzer gesmeed werd en er een ploeg van werd vervaardigd. Daarna bracht Djibriel (alaihis salaam) twee ossen voor hem om daarmee de grond te ploegen.
Het spraakvermogen van de dieren
Toen de stieren voor de ploeg gespannen werden, klaagden zij daarover. Zij verweten Adam (alaihis salaam), dat zij moesten boeten voor een fout begaan door de mensen. Voorheen hadden zij nooit hoeven te werken.
Dit verwijt van de stieren bezorgde Adam (alaihis salaam) groot verdriet. Hij vergat zijn vreugde en herinnerde zich zijn vergissing in het paradijs weer. Allah Ta Ala had hem zijn fout vergeven, maar de aardse dieren verweten hem daarvoor en dreven de spot met hem.
Hij beklaagde zich daarover bij zijn Heer. Als straf voor hun spotternij werd behalve van de twee stieren van alle andere dieren het spraakvermogen ontnomen door Allah Ta Ala. Dieren kunnen daarom niet meer praten. De mens zou anders tot in de eeuwigheid bespot worden door de dieren.
De eerste landbouwer ter wereld
De stieren onderwierpen zich daarna aan de bevelen van Adam (alaihis salaam). Toen de grond goed genoeg geploegd was voor beplanting, werden de tarwezaden, die Adam (alaihis salaam) van de Aartsengel had gekregen, gezaaid.
Na een tijd ontsproten er zich tarwe- en graanhalmen, die te zijner tijd volle aren droegen. De gewassen werden oogstrijp. Na de oogst moest Adam (alaihis salaam) de korrels tot meel malen. Daarna leerde hij om daarvan deeg te kneden.
Adam (alaihis salaam) bouwde op aanwijzing van de Aartsengel een oven in de grond. Er werd vuur aangemaakt van brandhout en ten-slotte werd het langverwachte brood gebakken. Adam (alaihis sa-laam) vroeg aan Djibriel (alaihis salaam) of hij het brood nu kon eten.
De eerste vastendag voor de mens
Djibriel (alaihis salaam) adviseerde hem om de dag vastend door te brengen en te wachten tot zonsondergang. Hij vertelde op een vraag van Adam (alaihis salaam), dat het vasten hem de eeuwige tevredenheid van Allah Ta Ala zou schenken.
Hij zou verder als beloning voor het vasten het paradijs krijgen om dat nooit meer te verliezen. Adam (alaihis salaam) vroeg aan Djibriel (alaihis salaam) of deze beloning voor het vasten voor hem alleen bestemd was, waarop deze hem antwoordde, dat iedereen uit zijn nakomelingenschap, die zou vasten het eeuwige paradijs zou krijgen. Toen de zon onderging, nam Djibriel (alaihis salaam) een deel van het brood en bracht dat in een oogwenk voor Moeder Eva.
De mens en zijn dagelijks brood
Adam (alaihis salaam) stond op het punt om het brood op te eten, toen het buiten zijn bereik wegrolde. Adam (alaihis salaam) holde het achterna om het te pakken, waarop Djibriel (alaihis salaam) hem verweet, dat hij dat gedaan had zonder zich te bezinnen. Het brood was voor hem bestemd. Hij zou het in ieder geval krijgen. Nu hij er achterna had gezeten om er aan te komen, zouden hij en zijn nakomelingen altijd hard moeten werken om hun brood te verdienen.
Adam (alaihis salaam) deed zich tegoed aan het brood, dat hij had teruggepakt, nadat dit hem was ontvlucht. Naarmate hij het brood nuttigde, nam zijn dorst toe. Op aanbeveling van Djibriel (alaihis salaam) groef hij een bron en leste zijn dorst met het tevoorschijn gekomen water.
De mens en zijn natuurlijke behoeften
Kort daarna voelde Adam (alaihis salaam) iets vreemds en onaangenaams in zijn buik. Hij ontdekte, dat het gemak van het paradijs geheel ontbrak op aarde. Daar kon men blijven genieten van allerlei lekkere en zoete vruchten en andere dingen zonder enigszins last van te krijgen. Hier waren er natuurlijke behoeften voor de mens, die hem zeer veel ongerief en last bezorgden.
Kleding en naaktheid van de mens
Adam (alaihis salaam) besefte, dat er voor hem behoefte bestond om de kleding van bladeren uit het paradijs te vervangen. Hij beklaagde zich hierover bij Djibriel (alaihis salaam) en zei, dat zijn fout vergeven was en hij niet langer in die toestand gelaten wilde worden. Allah Ta Ala zegt in de Qoer’aan Al Kariem: "O kinderen van Adam, Wij hebben kleren voor u nedergezonden; zij dienen als bedekking van uw naaktheid en als sieraad voor uzelf, doch het kleed van godvrezendheid is het beste."
Djibriel (alaihis salaam) bracht in opdracht van Allah Ta Ala twee paar buffels, twee paar geiten en twee paar koeien voor Adam (alaihis salaam). Nadat deze dieren zich hadden vermenigvuldigd, kreeg Adam (alaihis salaam) toestemming om ze te slachten en hun vacht af te scheren. Djibriel (alaihis salaam) bracht het haar van de dieren naar Moeder Eva, die er wol van weefde. Adam (alaihis salaam) kreeg opdracht om van de wol twee jassen te vervaardigen. Een voor zichzelf en een voor zijn echtgenote, die in Jedda was en met wie hij nog steeds niet verenigd was. Het gewaad van Moeder Eva werd haar door Djibriel (alaihis salaam) bezorgd.
Het ontstaan van bloemen en struiken
Toen Adam (alaihis salaam) op aarde kwam, had hij een kleding van vijgenbladeren aan. Beïnvloed door weer en wind droogden de bladeren uit en brokkelden in stukjes af. Waar die bladerstukjes terechtkwamen, ontsproten er bloemstruiken met zeer geurige en fleurige bloemen. Omdat hij door Djibriel (alaihis salaam) in India was achtergelaten, bloeien daar daarom bloemen met de zoetste geuren ter wereld, zoals de jasmijn.
Betere tijden voor Adam (alaihis salaam)
Adam (alaihis salaam) op bedevaart
Het verlangen om elkaar terug te zien werd groter bij Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva. Zij waren nu al driehonderd jaar uit elkaar, zonder iets van elkaar gehoord te hebben. Adam (alaihis salaam) kreeg van Djibriel (alaihis salaam) te horen, dat er in Mekka het Huis van Allah Ta Ala lag, waar er veel heil en zegeningen werden uitgestort. Het heette de Ka'ba Sheriefa. Gebeden werden daar verhoord en wensen vervuld. Adam (alaihis salaam) kreeg opdracht van Allah Ta Ala om naar Zijn Huis te gaan om er de bedevaart te doen. Bij het horen hiervan stond Adam (alaihis salaam) onmiddellijk op en over bergen en woestijnen zocht hij zijn weg naar het Huis van Allah Ta Ala in Mekka. Overal waar zijn voeten terechtkwamen, ontsproot er groen gras en waar hij zich onderweg op de grond ter ruste legde, ontstonden er bronnen van zoet water.
De hereniging van Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva
Intussen kreeg ook Moeder Eva opdracht van Djibriel (alaihis salaam) om op bedevaart te gaan. Ook zij vertrok vanuit Jedda naar Mekka. Op de 9e dag van de maand dzoelhadjdja bereikten zij beiden de vlakte van Arafaat, waar zij elkaar herkenden. Deze plaats wordt daarom Arafaat genoemd. Dat betekent: “plaats van herkenning”.
Vanuit Arafaat vertrokken beiden vol vreugde samen om Allah Ta Ala te danken voor deze gunst en vervulling van hun wensen. In Mina aangekomen gaven zij aan Allah Ta Ala hun wens te kennen om vergeven te mogen worden. Daarom wordt deze plaats Mina genoemd, hetgeen betekent de vervulling van wensen.
Na de bedevaart te hebben volbracht, keerden zij samen terug naar de verblijfplaats van Adam (alaihis salaam) in India. Van daaruit kwam Adam (alaihis salaam) ieder jaar op bedevaart. Hij deed dat veertig jaar lang en reisde telkens te voet, omdat hij zo zwaar was, dat geen enkel rijdier zijn last kon dragen.
De toekomst van de mens
Verzoek van Adam (alaihis salaam) aan Allah Ta Ala
Toen het tot Adam (alaihis salaam) doordrong, dat het menselijk geslacht zich uit hem zou vermenigvuldigen, kreeg hij aandacht voor de toekomst van zijn nakomelingen. Hij sprak tot zijn Heer en zei: "O Allah, er is vijandschap ontstaan tussen Satan en mij. Als U mij niet beschermt tegen hem, zal ik samen met mijn kinderen door hem vernietigd worden."
Allah Ta Ala beloofde hem om samen met de geboorte van een kind in het nageslacht van Adam (alaihis salaam) telkens een engel te scheppen om dat kind te beschermen. Adam (alaihis salaam) vroeg om meer hulp tegen Satan, die te machtig scheen te zijn tegen de mens. Allah Ta Ala beloofde hem om iedere goede daad van zijn kinderen tienvoudig te belonen.
Adam (alaihis salaam) vroeg om meer hulp, waarop Allah Ta Ala zei: "Indien uw kinderen tijdens hun leven berouw tonen en vergiffenis van zonden vragen, zullen zij vergeven worden."
Verzoek van Satan aan Allah Ta Ala
Daarna riep Satan zijn Heer aan en zei: "O Heer, ik heb U nooit als God miskend. Ik heb geweigerd om mij neer te werpen voor de mens. Ik heb U altijd aanbeden. Omwille van de mens ben ik van Uw hof verstoten. Help mij om mijn nakomelingenschap tegen hem te beschermen".
Allah Ta Ala beloofde bij de geboorte van iedere mens ook een kind van Satan te scheppen. Satan vroeg om meer hulp tegen de mens. Allah Ta Ala beloofde Satan, dat deze samen met zijn kinderen zich in de harten van de mensen zouden huisvesten en deze zodanig zouden overmeesteren, als het bloed door de bloedvaten het gehele lichaam overmeestert.
Satan vroeg om meer macht over de mens, waarop Allah Ta Ala hem de volledige beschikking over de mens gaf. Hij kon de mens van alle zijden en op alle manieren overvallen en verleiden. Satan geraakte zeer zelfverzekerd en verheugd met deze woorden van Allah Ta Ala.
Belofte van Allah Ta Ala aan Adam (alaihis salaam)
Bij het horen hiervan geraakte Adam (alaihis salaam) zeer bedroefd. Hij gaf aan Allah Ta Ala zeer terneergeslagen blijk van zijn ongerustheid over het lot van zijn nakomelingen, nu Satan zoveel macht over hem had gekregen.
Allah Ta Ala gaf Adam (alaihis salaam) de verzekering, dat Hijzelf over de mens zou waken en hem zou beschermen. Al zou een kind van Adam (alaihis salaam) zijn leven lang zondigen en Satan volgen, maar indien hij zelfs tijdens zijn dood berouw zou tonen en zich zou bekeren, hij volledige vergiffenis van zonden zou krijgen.
Het is vermeld, dat Moeder Eva in totaal twintig bevallingen kreeg. Volgens een ander verslag beviel zij vijfhonderd keer. De bevallingen vonden normaal plaats zoals dat heden ten dage nog gebeurt. Telkens werden er echter een zoon en een dochter geboren, behalve bij de geboorte van Hazrat Shies (alaihis salaam). Deze werd alleen geboren. Hij erfde het profeetschap van Adam (alaihis salaam). Het licht van de Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) verplaatste zich van Adam (alaihis salaam) en kwam bij Hazrat Shies (alaihis salaam) terecht. Van zijn nageslacht stammen alle profeten en boodschappers van Allah Ta Ala af.
Bij de eerste bevalling werden Qaabiel en Aqliema geboren. De Nederlandse naam van Qaabiel is Kain. De laatste zoon van Adam (alaihis salaam) heette Abdoel Moeghies (Dienaar van de Helper) en de laatste dochter was Amatoel Moeghies (Dienares van de Helper).
Allah Ta Ala zegende het nageslacht van Adam (alaihis salaam), die op zijn sterfbed omringd was door minstens veertigduizend van zijn nakomelingen. Al zijn kinderen waren ten tijde van zijn dood nog in leven, behalve Haabiel, die door Qaabiel werd vermoord. Haabiel wordt in het Nederlands Abel genoemd.
Huwelijken in het nageslacht van Adam (alaihis salaam)
Voor de vermenigvuldiging van het menselijk geslacht was het de kinderen van Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva toegestaan om met elkaar te trouwen, mits zij niet samen geboren waren.
In de samenleving van de eerste kinderen van Adam (alaihis salaam) en Moeder Eva werden slechts de zoon en de dochter die samen geboren werden aangenomen als te zijn broer en zus voor elkaar. Daarom was het verboden, dat de broer zou trouwen met zijn tweelingzuster.
Op aanwijzing van Adam (alaihis salaam) trouwden zijn zonen met de dochters die hen door hun vader werden toegewezen. Naarmate het menselijk geslacht groeide, namen de beperkingen ten aanzien van het huwelijk toe en werden huwelijken tussen kinderen, geboren uit dezelfde ouders verboden.
Toen Qaabiel en Haabiel de volwassenheid hadden bereikt, besloot Adam (alaihis salaam) hen respectievelijk met Laboeza en Aqliema te laten trouwen. Laboeza was de tweelingzuster van Haabiel. Omdat Aqliema, de tweelingzuster van Qaabiel, schoner en mooier was dan Laboeza, weigerde Qaabiel laatstgenoemde als vrouw te accepteren. Hij eiste, dat Aqliema hem zou toekomen, daar zij samen met hem geboren was.
Adam (alaihis salaam) probeerde Qaabiel te overtuigen om de voorschriften van Allah Ta te volgen en die niet te overschrijden, doch deze scheen niet vatbaar te zijn voor rede. Toen zijn vader bemerkte, dat Qaabiel voet bij stuk hield en niet te vermurwen was, stelde hij voor dat beiden offers zouden brengen aan hun Heer. Degene wiens offer geaccepteerd zou worden, zou Aqliema tot vrouw krijgen.
De offerandes van Qaabiel en Haabiel
In die tijd was het de gewoonte, dat offers op een berg werden gelegd voor acceptatie. Vanuit de hemel kwam er daarna een vuur, dat het geaccepteerde offer wegnam. Haabiel was veehouder van beroep, dus legde hij een schaap op de berg met de intentie om af te zien van een huwelijk met Aqliema, indien zijn offer niet geaccepteerd zou worden. Qaabiel was landbouwer en hij bracht enkele aren graan op de berg als offer, terwijl hij zich reeds had voorgenomen om niet af te wijken van zijn standpunt om Qaliema ten koste van wat dan ook tot vrouw te nemen.
Het offer van Haabiel werd geaccepteerd. Er daalde een vuur neder vanuit de hemel en bracht het schaap van Haabiel mee, terwijl de aren graan van Qaabiel op de berg bleven liggen. God’s wil was duidelijk gemaakt aan Qaabiel. Deze gaf blijk van zijn misnoegen hierover en eiste Aqliema nu meer dan ooit voor zich op. Hij begon Haabiel te haten. Hoezeer zijn verdrietige vader hem ook tot betere gedachten trachtte te brengen, zijn haat en jaloezie tegenover Haabiel dreven Qaabiel tot moordplannen van zijn broer.
De moord op Haabiel
Omdat er tot dan toe geen mens op aarde dood was gegaan, wist Qaabiel niet hoe zijn moordplannen uit te voeren. Hij had van zijn vader Adam (alaihis salaam) wel veel gehoord over de dood en het einde van het aardse leven, maar hoe dat precies zou gebeuren kon hij zich niet voorstellen. Satan, de aartsvijand van de mensheid, besloot Qaabiel bij te staan in het uitvoeren van zijn boze plannen. Hij verscheen voor Qaabiel in de gedaante van een mens en bracht een vogel met zich mee, die hij de kop verbrijzelde met een steen, terwijl Qaabiel toekeek.
Plotseling drong het tot hem door, dat dit de manier was om wraak te nemen op zijn broer Haabiel. Hij haastte zich op zoek naar hem. Haabiel was op dat moment in slaap verzonken met zijn hoofd op een rotsblok. Qaabiel naderde hem onopgemerkt en verbrijzelde zijn hoofd met een zware steen. Spartelend van pijn blies Haabiel zijn laatste adem uit. Hij was geheel onschuldig vermoord door zijn jaloerse en onrechtvaardige broer. Hij was slechts negentien jaar oud.
Bijzonderheden bij de dood van Haabiel
Het weer betrok en het werd over de gehele aarde donker bij de meedogenloze moord op Haabiel. Er ontstond een zware aardbeving gevolgd door een hevige storm, die gepaard ging met bliksem en donder. De aarde en het weer waren verontwaardigd over de eerste moord van de mens.
Adam (alaihis salaam) was ten tijde van dit afschuwelijk gebeuren bezig met de tawaaf (het lopen rondom de Kaba Shariefa) in Makka Al Moekarrama. Verwonderd keek hij om zich heen. Wat gebeurde er plotseling, dacht hij? Hij kreeg een vreemd gevoel van onbehagen, hetgeen hem nooit tevoren was overkomen. Hij vroeg zich af wat dit alles te betekenen kon hebben. Djibriel (alaihis salaam) kreeg opdracht van Allah Ta Ala om Adam (alaihis salaam) de wrede moord op diens geliefde zoon mede te delen. De vader vroeg op een hartverscheurende toon wie deze afschuwelijke zonde had begaan.
Toen hij hoorde, dat het zijn oudere zoon Qaabiel was, haastte hij zich jammerend naar huis, terwijl hij met een zwaar hart dacht aan Moeder Eva. Hoe zou deze dit meedogenloze einde van haar geliefde zoon Haabiel hebben ervaren, dacht hij?
Gevolgen van de moord op Haabiel
Er is vermeld, dat vóór de moord op Haabiel alle vruchten op aarde een zoete smaak hadden. Er waren toen ook geen stekelige planten op aarde. Terstond na deze afgrijselijke daad van Qaabiel, veranderde de smaak van vele vruchten. Sommige werden zuur. Andere kregen een bittere smaak. Sommige bomen en planten kregen stekels. Voorheen was nergens op aarde het water brak. Na de moord op Haabiel werd het overgrote deel van al het water op aarde brak. Dieren waren niet bang voor mensen. Na deze gruweldaad van Qaabiel, geraakten alle dieren bevreesd voor de mens. Daarvóór bestond er angst, noch verdriet op aarde. De gelukzaligheid werd de aardbewoners nu ontnomen. Na de moord op Haabiel heeft Adam (alaihis salaam) gedurende de rest van zijn leven nooit meer gelachen.
Het lijk van Haabiel
Qaabiel wist intussen geen raad met het lijk van zijn broer. Hij omwikkelde het en liep er overal mee rond, niet wetende hoe zich ervan te ontdoen. Hij besefte wel degelijk zijn broer onrechtmatig van zijn leven te hebben beroofd en wilde het lijk ergens verbergen. Zo bleef hij veertig dagen en nachten achter elkaar ronddwalen met het lijk, dat nu tekenen van ontbinding begon te vertonen.
Plotseling zag hij twee aasgieren hevig tegen elkaar vechten. Een van ze werd door de andere gedood. Deze groef met zijn snavel en klauwen een kuil in de grond, stootte zijn dode soortgenoot erin, waarna hij de kuil weer dicht maakte met aarde. Qaabiel begreep direct dat dit de oplossing was voor zijn geheim. Hij groef vlug een kuil en begroef zijn dode broer erin. Sindstoen worden lijken van mensen begraven.