Een uitgave van:
de Surinaamse Moeslim Associatie
Samensteller:
Michel Soebhan
Lay-out, vormgeving en druk:
S.M.A.-Printing
Verkrijgbaar:
Secretariaat S.M.A.
Kankantriestraat 32-40
Postbus: 9076
Telefoon: 403467
Paramaribo, juni 2003/rabie oessanie 1424
Nadruk toegestaan, mits zonder winstbejag
1. Imaam Aboe Haniefa en de atheïst.................................... 5
2. Ghawsoel Azam en de stem van Satan............................. 10
3. Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie en de rovers................ 11
4. De wortel van alle zondige daden.................................... 14
5. De waarde van Nadir Shah................................................ 15
6. De brieven van Ala Hazrat................................................ 16
7. Hazrat Alie Moertaza en de heiden................................. 17
8. Een heilige en Satan......................................................... 19
9. De man met de drie vrienden........................................... 22
10. De ware erfgenaam........................................................... 25
11. Shaikh Sa’die (rahmatoellaahi alaihi)............................. 28
12. De echte faillietverklaarde.............................................. 29
13. De waarde van de weldaden van Allah............................. 31
14. Daden worden naar intentie beloond.............................. 33
15. De vlucht voor de dood.................................................... 34
16. De taal van de dieren........................................................ 35
17. De vertrouweling van Koning Mahmoed........................ 38
18. Koning Mahmoed en de dure edelstenen....................... 40
19. Ajaaz en de bittere appel.................................................. 42
20. Hazrat Jahja’s vermaningen aan zijn broer..................... 43
21. De houten vrouw............................................................... 44
22. Hazrat Hasan Basrie, de juwelenhandelaar.................... .46
23. Moeite blijft nooit onbeloond........................................ 48
24. Het gewicht van een zak aarde......................................... 50
25. Succes in dit leven en in het hiernamaals....................... 52
26. Kennis is het beste wapen................................................ 53
27. Het lezen van gedachten................................................... 55
28. De gelijkenis van de wereld............................................. 57
29. Diefstal.............................................................................. 58
30. De positie van onze moeders.......................................... 59
31. De levensduur van de mens.............................................. 60
Alle lof zij aan Allah, de Heer der werelden. Vrede en zegeningen van Allah Ta Ala zij met Zijn laatste profeet, Hazrat Moehammad Moestafa, zijn nakomelingen, huisgenoten en volgelingen tot de Laatste Dag. Vrede, zegeningen en barmhartigheid van Allah Ta Ala zij met u. Moge Allah Ta Ala ons beschermen tegen de verleidingen van Satan, de Verdoemde. In naam van Allah, de Enige Ware God, de Oneindig Barmhartige, de Oneindig Genadige.
Niet zo lang geleden werd in ons land in de masdjids en tijdens religieuze bijeenkomsten slechts het Oerdoe als taal gebruikt. Alle toespraken, bekendmakingen, smeekgebeden enz. gebeurden in het Oerdoe. Dat vormde in de vroegere generaties van de islamitische gemeenschap geen probleem, daar de meeste moeslims van Indiase afkomst in Suriname toentertijd het Oerdoe beter verstonden dan welke taal ook. De huidige generatie van deze groep moeslims is echter bezig langzaam de taal van haar voorouders te vergeten.
Met voldoening wordt de laatste tijd daarentegen geconstateerd, dat de belangstelling bij onze jongeren voor het houden van toespraken op religieus gebied toeneemt. Steeds meer jongeren houden zich bezig met het geven van taqriers tijdens djalsa's en of andere islamitische gelegenheden, zij het dan in het Nederlands.
Het is mij dan ook een waar genoegen om u dit boek met leerrijke gelijkenissen en andere ware vertellingen uit het leven van vooraan-staande personen van de islam aan te bieden. Momenten uit het leven van de Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam), andere profeten (alaihimoes salaam), sahaabies, imaams en heiligen (radiyallaahoe anhoem), die ons tot voorbeeld strekken, zijn na een keuze uit een reeks in dit boek opgenomen.
Het ligt in de bedoeling om met dit boek de drang bij vooral de jon-geren om toespraken te houden over diverse islamitische onderwer-pen te stimuleren. De korte vertellingen kunnen gebruikt worden als onderdelen van toespraken, die zodoende boeiender worden.
Behalve voor toespraken is dit boek ook zeer nuttig voor hen, die in-formatie over de islam behoeven of zich in hun vrije tijd bezig willen houden met leerrijke islamitische literatuur.
Ik hoop met de samenstelling van dit boek in een lang bestaande behoefte te hebben voorzien. Voor opbouwende kritiek houd ik mij gaarne aanbevolen. Moge Allah Ta Ala mijn werk accepteren en u en ons allen in dit leven en in het hiernamaals zegenen. Aamien.
1. Imaam Aboe Haniefa en de atheïst
In het begin van de tweede eeuw van de islamitische jaartelling werden de geleerden van alle godsdiensten eens door een sterrenkundige uitgedaagd om het bestaan van God te bewijzen.
Wij zijn vast overtuigd van het bestaan van God, maar wij hebben Hem nooit gezien, gehoord of gevoeld. Immers, God blijft onzichtbaar voor de aardse mens. Hij is gedaanteloos en Hij praat niet tot de mensen dan via Zijn boodschappers.
Geen wonder dus, dat niemand de uitdaging van de goddeloze durfde aan te nemen. De geleerden van de verschillende godsdiensten waren radeloos. Vele gelovige mensen geraakten zelfs in twijfel over het al dan niet bestaan van God. Het kwam zelfs zover, dat alle gods-diensten aanhang begonnen te verliezen.
De goddeloosheid nam toe. Er moest dringend iets gedaan worden, wilde men het geloof in God nog redden. Belijders van de verschillende godsdiensten keken samen met hun leiders met verlangen uit naar iemand die redding in de zaak zou brengen.
In die tijd leefde er in Irak een grote imaam, die beroemd was om zijn wijsheid, overvloedige kennis en godvrezend-heid. Hij heette No’maan Bin Thabit en was bekend als Imaam Al Azam (de Grote Imaam) Aboe Haniefa. Hij is de grondlegger van de hanafitische leerschool in de islam.
De Qoer’aan en de Hadies worden tegenwoordig door meer dan tweederde deel van alle islambelijders volgens de uitleg van Imaam Aboe Haniefa nageleefd.
De uitdaging van de ongelovige sterrenkundige kwam ook Imaam Al Azam ter ore. Terstond nam deze tot grote opluchting van allen de uitdaging aan. Imaam Aboe Haniefa zou het bewijs leveren van het bestaan van God.
Er werd een tijd afgesproken, waarop beiden bij elkaar zouden komen. Imaam Aboe Haniefa om het bewijs te leveren en de uitdager om dat te ontvangen.
Maar op de afgesproken tijd liet de Grote Imaam zeer tot teleurstelling van iedereen verstek gaan. Ook na lang wachten was er geen spoor van Imaam Aboe Haniefa te bespeuren.
Het gebluf van de ongelovige nam gestadig toe. Zijn ver-moeden dat de Grote Imaam uit vrees niet was komen opdagen veranderde in zekerheid. Deze mening vatte langzamerhand ook post bij de andere aanwezigen. De moeslims en anderen waren erg teleurgesteld en zeer beschaamd. Sommigen gingen stiekem weg. Anderen begonnen te twijfelen aan het bestaan van God.
Tot grote opluchting van velen zagen zij Imaam Aboe Haniefa plotseling haastig aankomen. Een triomfantelijk gejuich steeg op onder de gelovigen. Er was hulp komen opdagen voor de hulpeloze dienaren van de Ware God. De ongelovige zweeg overbluft en het ongenoegen was duidelijk op zijn gezicht te lezen.
Hij trachtte zijn eer nog te redden door Imaam Aboe Haniefa te verwijten voor zijn late komst. Deze vroeg om de reden hiertoe bekend te mogen maken en vervolgde met het volgende verhaal.
“Ik was gisteren voor dringende zaken aan de overkant van de Eufraat (d.i. een rivier in Irak) geweest. ’s Morgens vroeg stond ik op om op tijd voor mijn afspraak aanwezig te kunnen zijn. Tot mijn grote schrik ontdekte ik, dat er geen boot aanwezig was, die mij zou overzetten.
Terwijl ik daar stond te popelen van ongeduld om op tijd te kunnen aankomen, zag ik tot mijn grote verbazing een grote boom aan de oever van de rivier plotseling vanzelf omvallen, alsof hij door iemand werd omgehakt. Maar ik stond daar alleen. Hoe ik ook keek, ik zag niemand anders daar. Ik was nog niet bekomen van mijn verbazing, of ik zag de omgevallen boom vanzelf in planken splijten. Dat alles gebeurde zonder dat hij door iemand gezaagd werd.
Mijn verbazing werd nog groter, toen ik de planken vanzelf bij elkaar zag komen. Ongelooflijk genoeg werd er een boot zo vanzelf gebouwd, dat ik nauwelijks kon geloven wat ik daar zag gebeuren.
Het meest verbazingwekkende was echter, dat de boot begon te varen. Hij meerde langs de oever waar ik stond. Ik begreep dat ik met deze boot de rivier kon oversteken en stapte er in. De boot voer mij naar de overkant en zo ben ik enkele uren te laat aangekomen. Ik bied daarvoor mijn verontschuldigingen aan.”
De atheïst kon zich een schaterlach niet onthouden. Een groot tumult brak los onder de ongelovigen. Was dit kinderverhaal de reden van de late komst van een grote imaam, die het bestaan van God zou bewijzen? Wie zou de Grote Imaam geloven? Wat beoogde hij met dergelijke verzinsels?
De gelovigen lieten hun hoofden zakken van verlegenheid. Wat bezielde de Grote Imaam, dachten zij? Was hij misschien zijn verstand kwijt? Bij het zien van dit alles werd het gebluf van de atheïst groter. Heel opschepperig vroeg hij de aanwezigen of er geloof gehecht kon worden aan iemand met zo’n verhaal.
Imaam Aboe Haniefa gebaarde de menigte tot stilte. Het volgende gesprek volgde tussen hem en de atheïst.
Imaam Al Azam: “Is het dan niet mogelijk, dat een boom omvalt zonder dat hij wordt omgehakt?”
Atheïst: “Hoe kan dat? Wie zou dat geloven?”
Imaam: “Is het ook niet mogelijk, dat een boomstam vanzelf tot planken splijt, zonder dat iemand dat doet?”
Atheïst: “Houd toch eindelijk op met het vertellen van kindersprookjes? Het betaamt een imaam van uw niveau niet om met dergelijke verzinsels in een ernstige aangele-genheid als deze zijn hachje te proberen te redden. Kom met iets serieus voor de dag. Wilt u zo bewijzen, dat er een god bestaat?”
Imaam: “Kunnen planken niet automatisch een boot worden, zonder dat iemand daarmee een boot bouwt?”
Atheïst: “Ik wil geen tijd meer verliezen. Ik stap op. Mijn uitdaging blijft nog van kracht. Als er nog iemand durft om het bestaan van God te bewijzen, hoor ik dat wel.”
Imaam: “Gunt u mij nog een vraag te stellen. Is het niet mogelijk, dat een boot vaart zonder een bestuurder?”
Atheïst: “Hoe ter wereld is dat mogelijk? Hoe kan een grote imaam als u dergelijke vertellingen gebruiken om de mensen te misleiden? Hoe kan een boom zichzelf vellen en splijten tot planken? Hoe kunnen planken vanzelf een boot worden? Hoe kan een boot vanzelf varen zonder een bestuurder?”
Imaam: “Welnu, dan is het bewijs van het bestaan van God door uzelf geleverd?”
Atheïst: “Hoezo dan?”
Imaam: “U zegt toch zelf, dat een boom niet vanzelf kan omvallen zonder dat hij wordt omgehakt, dat een boom niet vanzelf tot planken kan splijten zonder dat hij gezaagd wordt, dat planken niet vanzelf een boot kunnen worden zonder dat zij daartoe vastgetimmerd worden en dat een boot niet vanzelf kan varen zonder een bestuurder? Dat heeft u toch gezegd?”
Atheïst: “Dat zeg ik nog steeds.”
Imaam: “Wel, dat zeg ik ook. Voor het omhakken van een boom is er een houthakker nodig, voor het splijten van een boomstam tot planken is er een zager nodig, voor het bouwen van een boot een timmerman en voor het besturen van een boot een bestuurder.
Wel, als zonder deze mensen dit alles niet kan gebeuren, hoe is het dan mogelijk dat zo’n groot heelal met de aarde, de bergen, oceanen, zeeën en grote rivieren, talrijke dieren en planten, de planeten en andere hemellichamen, de afwisseling van dag en nacht en de jaargetijden kunnen ontstaan zonder een schepper en bestuurder.”
Hierop zweeg de atheïst. Hij had geen antwoord. Naar zijn eigen theorie moest hij toegeven, dat er werkelijk een macht bestond, die alles had geschapen en alles bestuurde. En die macht was God. Zijn islamitische naam is Allah, hetgeen letterlijk de Enige Ware God betekent.
Hoe kwam de Grote Imaam op dit idee? Wel, dat is heel simpel. Het verhaal van de Grote Imaam No’maan Bin Thabit Aboe Haniefa was gebaseerd op het volgende vers van de Heilige Qoer’aan: “In de schepping van de hemelen en de aarde, in de wisseling van dag en nacht, in de schepen die op zee varen ten voordele van de mens, in de regen die Allah vanuit de hemel op aarde uitstort, waarmee Hij de dode aarde doet herleven en daarop allerlei soorten dieren heeft verspreid, in de verandering van de winden en in de wolken die tussen hemel en aarde in dienst zijn gesteld, in dit alles zijn waarlijk tekenen voor hen die hun verstand gebruiken.”
(Al Qoer’aan: 2:164)
Het bestaan van God kan niet geloochend worden door mensen die hun verstand gebruiken. Dat is bewezen door het verhaal van Imaam Aboe Haniefa, die op zeer tactvolle wijze een interessante gelijkenis bedacht om uit te leggen, dat God werkelijk bestaat. Het geloof in God en in het Laatste Oordeel is de eerste vereiste voor een vreedzame wereld met geluk en succes voor alle mensen.
Immers, slechts met de overtuiging, dat ons doen en laten gadegeslagen worden en dat wij voor onze handelingen verantwoording zullen moeten afleggen aan God, kunnen wij afblijven van het kwade. Met de overtuiging, dat al onze goede daden beloond zullen worden, kunnen wij goede werken doen. Als wij tot het goede aansporen en zelf van het kwade afblijven en anderen ervan afhouden, zullen wij in staat zijn om rechtvaardigheid, geluk, rust, vrede en eenheid onder de mensen te brengen.
De stem zei, dat hij geen namaaz meer hoefde te doen. “Ook de farz (verplichte) namaaz is u door Allah Ta Ala kwijtgescholden,” zei de stem, die verklaarde de aartsengel Gabriël (alaihis salaam) te zijn. Hij was door Allah Ta Ala gezonden om Hazrat Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) de kwijtschelding van de namaaz mede te delen.
Als het iemand van onze tijd zou zijn geweest, zou hij zich direct tot moedjaddid of profeet verklaren bij het horen van deze verleidelijke woorden. Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) liet zich echter niet verleiden. Hij besefte dat dit zeker een list was van Satan. Hij zei, dat de Geliefde Profeet van God (sallallaahoe alaihi wa sallam) en diens sahaabies (radiyallaahoe anhoem) vromer waren en meer namaaz deden dan hij. Waarom hadden zij dan geen kwijtschelding van verplichtingen gekregen? Zij hadden daar toch meer recht op? Hij verjoeg de stem van zich en zei niet te zullen trappen in de verleidingen van Satan. Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) hoorde de stem zich met een schaterlach verwijderen, terwijl hij zei: “Abdoel Qadir, uw kennis heeft u gered. ”
Een trotse geleerde zou direct denken, dat hij werkelijk door zijn kennis gered was. Wat deed Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) bij het horen van deze woorden? Hij ging zeker niet prat op zijn kennis. Integendeel, hij schrok bij het horen hiervan en haastte zich te zeggen, dat niet zijn kennis, maar de gunst van Allah Ta Ala hem had gered. Hij zei, dat Satan zelf een zeer groot geleerde was, maar dat zijn kennis hem niet had kunnen redden. Vanwege zijn hoogmoedigheid bleef Satan toch verstoken van de weldaden en gunsten van zijn Heer.
Dit gedrag van Hazrat Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) leert ons, dat wij de weldaden van Allah Ta Ala nooit moeten vergeten. Alles wat wij bezitten is ons door Hem geschonken. Als wij iets bereiken, is dat door de gunst van Allah Ta Ala en niet door onze eigen bekwaamheden.
Verder leren wij uit dit voorval, dat een dienaar nooit vrijstelling van verplichtingen kan krijgen, hoe vroom hij ook mag worden.
Hazrat Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) werd in de stad Djielaan geboren. Zijn vader stierf op zeer jonge leeftijd en Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) groeide als wees op. Hij was heel voorbeeldig en op zeer jeugdige leeftijd had hij alle islamitische studies die in zijn geboorteplaats mogelijk waren voltooid. Hij gaf aan zijn moeder de wens te kennen om heel ver buiten Djielaan, in de stad Baghdad, zijn studie te mogen voortzetten. Zijn moeder gaf hem toestemming en deed haar jeugdige zoon, doordrongen van het besef, dat zij hem misschien nooit meer terug zou zien, uitgeleide.
Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) be-hoorde tot een arm gezin en het gehele vermogen, dat zijn moeder bezat, bestaande uit veertig dinars, zoomde zij in zijn jas als leeftocht in. Toen Shaikh Abdoel Qadir Djie-lanie (radiyallaahoe anhoe) zich bij de karavaan op weg naar Baghdad aansloot en zijn moeder hem voor de laatste keer groette, vermaande zij hem nooit te liegen en onder alle omstandigheden de waarheid te blijven spreken.
De jonge zoon beloofde zijn moeder om haar vermaning te volgen en hij nam zich vastberaden voor om zijn belofte gestand te houden.
Op weg naar Baghdad werd de karavaan overvallen door rovers, die alle mensen onderzochten en van alle bezittingen beroofden. Een van de rovers bemerkte de jeugdige Abdoel Qadir (radiyallaahoe anhoe) en vroeg hem of deze ook iets bij zich had.
Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) herinnerde zich de belofte aan zijn moeder en verklaarde heel moedig en eerlijk, dat hij veertig dinars bezat. Op een vraag van de rover waar die waren, vertelde Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) hem, dat ze in zijn jas waren ingezoomd door zijn moeder.
De rover vatte het als een grap van Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) en schonk verder geen aandacht aan hem. Hij vertelde wel aan de bendeleider over de jeugdige grapjas die hem had willen foppen door te verklaren dat hij veertig dinars bij zich had. De leider van de bende vroeg waarom hij de jongen niet had onderzocht. Misschien meende hij het echt. Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) werd door de bendeleider ontboden en onderzocht. Het bleek, dat de jongen geen grap had gemaakt toen hij vertelde over de veertig dinars en niemand had willen foppen. Hij bezat de veertig dinars in werkelijkheid. De bendeleider vroeg aan Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) waarom hij zo dom was om zijn veilig verborgen geld prijs te geven en te verklappen waar die was. Niemand zou het vinden. Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie (radiyallaahoe anhoe) zei: “Ik ben niet dom. Ik heb alleen eerlijk willen zijn. Ik wil alleen maar de vermaning van mijn moeder om onder geen enkele omstandigheid te liegen volgen. Hoe zou ik anders voor mijn moeder verschijnen na haar vermaning te hebben genegeerd?”
De bendeleider geraakte sterk onder de indruk van deze jongeling, die zelfs de vermaningen en bevelen van zijn moeder niet wilde negeren, terwijl hijzelf tegen de bevelen van Allah Ta Ala, onschuldige mensen beroofde en onge-lukkig maakte. Deze jongeling vreesde om zijn moeder ongehoorzaam te zijn, terwijl hijzelf het als zijn beroep had gemaakt om dag en nacht in ongehoorzaamheid aan Allah Ta Ala en Zijn profeet te leven.
Hij kreeg berouw van alles wat hij zijn gehele leven lang had misdaan en bekeerde zich. Hij gaf alles wat hij door berovingen had vergaard weg aan arme mensen en werd een ware dienaar van Allah Ta Ala.
Deze gebeurtenis uit het leven van Shaikh Abdoel Qadir Djielaanie leert ons, dat eerlijkheid een voorbeeldige en goede eigenschap is, waardoor slechte mensen tot het goede worden aangespoord en afkeer krijgen van het kwade. Allah Ta Ala zegt in de Qoer’aan Al Kariem: “O gelovigen, vreest Allah en weest met de waarachtigen.”
Eens meldde een Arabier zich bij de Profeet (sallallaahoe alaihi wa sallam) aan en gaf de wens te kennen, dat hij de islam als geloof wilde accepteren. Omdat hij verslaafd was aan allerlei zondige daden, vroeg hij toestemming om die door te mogen doen, ondanks zijn bekering tot de islam.
De Profeet van Allah (sallallaahoe alaihi wa sallam) stemde daarin toe, maar vroeg hem toch een eigenschap te laten. Dat was leugen. Hij zei: “Als het niet anders kan, doe dan maar wat je gewend bent, maar onthoud jezelf van het vertellen van onwaarheden.” De bekeerling beloofde dat en liep weg.
Toen het avond werd ging hij de straat op met de bedoe-ling om in de nachtelijke duisternis te gaan stelen. Onder-weg ontmoette hij een moeslim broeder, die hem groette en naar het doel van zijn wandeling vroeg. De nieuwe moeslim schrok. Hij had zich voorgenomen om zich te houden aan zijn belofte en niet te liegen, maar hoe zou hij de ander vertellen dat hij er op uit was om te gaan stelen? Wat zou deze van hem denken?
Plotseling drong het tot hem door, dat hij alle zondige daden moest laten, indien hij niet wilde liegen. Hij zou toch onmogelijk aan zijn moeslim broeders kunnen vertel-len, dat hij anderen bestal, alcohol dronk en overspel pleegde? Wat moest hij nu doen, dacht hij?
Tenslotte koos hij de juiste weg en besloot niets meer te doen, dat tegen de wil van Allah en Zijn profeet (sallallaahoe alaihi wa sallam) was. Zodoende werd deze zondaar een ware dienaar van Allah Ta Ala en een vooraanstaande sahaabie van de Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam).
De Profeet (sallallaahoe alaihi wa sallam) zei, dat leugen de wortel was van alle zondige daden. Eens werd aan hem gevraagd of een gelovige laf kon zijn. Hij zei: “Ja, er kunnen ook laffe moeslims zijn.” Men vroeg hem of moeslims ook konden liegen. Hij zei: “Neen, iemand die moeslim is, kan niet liegen.”
Dit voorval leert ons, dat het spreken van de waarheid ons kan zuiveren van zondige handelingen en dat liegen vrijbrief geeft voor het begaan van allerlei zonden.
5. De waarde van Nadir Shah
Nadir Shah was een zeer beruchte Perzische tiran, die vele onschuldige mensen had laten vermoorden. Hij had eens tienduizenden hoofden verzameld van mensen, die door zijn zwaard waren onthoofd. Hij prees zijn zwaard, dat hij hoger waardeerde dan tienduizenden mensenlevens, die door dit zwaard gevallen waren.
Eens waren er weer vele krijgsgevangenen gemaakt door Nadir Shah, waaronder de zeer beroemde Indische taxateur Ahmad. Deze heldhaftige krijgsgevangene werd naar voren geleid. Nadir Shah vroeg spottend aan Ahmad om zijn eigen waarde te schatten, alvorens deze door hem zou worden onthoofd. Zonder te aarzelen zei de taxateur: “Ik ben niet minder dan 4000 dinar waard.”
De tiran reageerde hierop heel boos en zei: “Waar haalt een gevangene de moed vandaan om zichzelf zo hoog te schatten? Wat zal mijn waarde dan zijn tegenover jou?”
Ahmad bekeek de tiran van top tot teen, dacht een poos na en zei heel zelfverzekerd: “U bent niet meer dan 24 dinar waard.” Wij kunnen ons de reactie van Nadir Shah voorstellen. Hij liep rood aan van woede en zei: “24 dinar is slechts de waarde van het gewaad dat ik aan heb.” De gevangene antwoordde: “Uw gewaad is het enige waardevolle aan uw lichaam. U bent verder waardeloos. Als u de waarde van tienduizenden mensenlevens niet kent, wat voor waarde heeft u dan zelf?”
Uit het bovenvermelde voorval leren wij, dat iemand die de medemens niet waardeert zelf ook geen waarde heeft. Velen meten de mens naar materiële zaken, macht en rijkdom en vergeten daarbij, dat alle mensen qua mens gelijk zijn. De mens dient niet naar wereldse zaken beoordeeld te worden, doch naar geloof, karakter, deugd-zaamheid en godvrezendheid.
6. De brieven aan Ala Hazrat Imaam Ahmad Reza
Ala Hazrat Imaam Ahmad Reza Khan Bareilwie was in India in het plaatsje Bareilie in 1857 geboren. Hij was een groot geleerde en de moedjaddid (hervormer) van de 14e islamitische eeuw. Hij kreeg zoals gewoonlijk altijd bezoek van zijn leerlingen en andere geleerden. Het oog van een van zijn leerlingen viel eens op een brief die aan Ala Hazrat gestuurd was door een van zijn tegenstanders.
De leerling kon niet nalaten een blik te werpen op de inhoud van de brief. Hij constateerde dat deze vol scheldwoorden en beledigingen aan het adres van Ala Hazrat was. Hij werd boos en hoezeer hij daar ook moeite voor deed, het gelukte hem niet zijn woede te verbergen. Het viel iedereen op hoe kwaad hij was op de schrijver van de slechte brief. Hij begon direct plannen te beramen om met hem af te rekenen.
Ala Hazrat vroeg hem te wachten, ging naar binnen en kwam met een hele stapel andere brieven terug. “Lees dit eerst maar,” zei hij, “alvorens verdere stappen te ondernemen.” De leerling nam de aan hem door zijn meester aangeboden brieven aan en begon ze een voor een aandachtig te lezen. Zijn gezicht klaarde langzamerhand op. De woede verdween en heel opgewekt riep hij uit: “Deze zijn goede brieven, geschreven door goede mensen met goede dingen over u.”
Ala Hazrat vroeg aan hem: “Moeten de schrijvers van deze goede brieven dan niet beloond worden voor hun goede woorden over mij?” De leerling zei: “Jazeker, dat verdienen zij ongetwijfeld.” Ala Hazrat zei: “Wel, beloon hen dan eerst, alvorens af te rekenen met de schrijver van de brief met slechte woorden over mij. Het is toch oneerlijk om degene die een fout begaat wel te straffen, maar de andere die goed doet niet te belonen?”
Zo zien wij hoe bescheiden en rechtvaardig Ala Hazrat was. Als het om zijn persoonlijke aangelegenheden ging, vergaf hij zijn tegenstanders steeds. Betrof het echter religieuze zaken of het algemeen religieus belang, dan trad hij heel streng en correct op. Het gedrag van Ala Hazrat doet ons denken aan het voorval van Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) en de heiden.
7. Hazrat Alie Moertaza en de heiden
De moeslims hadden het reeds in de beginperiode van de islam heel hard te verduren van aanvallen door de kafirs (ongelovigen). Dezen konden een uitbreiding van de ware godsdienst niet gedogen en zetten alles op alles om hieraan een stop te zetten. Zij trokken telkens tegen de islam op.
Het is te begrijpen, dat de moeslims steeds naar de wapens moesten grijpen om zich te verdedigen tegen de heidense aanvallen. In een strijd tegen ongelovige aanvallers wist de heldhaftige Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) een heiden op zijn rug neer te werpen en op diens borst te klimmen. Met getrokken zwaard liet hij hem beloven om de islam te accepteren of deze met rust te laten en nooit meer aan te vallen. In plaats van gehoor te geven aan hetgeen Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) vroeg, spuwde de heiden op het gezicht van deze. Bijna iedereen dacht, dat Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe), gedreven door woede, de heiden nu zonder te aarzelen zou doden, omdat deze hem zwaar had beledigd door op zijn gezicht te spuwen.
Tot grote verbazing van de heiden en alle anderen sprong Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) echter op en ging terzijde staan. De heiden vroeg aan Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) naar een verklaring voor zijn vreemd gedrag. Hij zei verwacht te hebben, dat Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) hem uit woede vlug zou doden. Hij had op hem gespuwd om vlug, zonder mishandelingen gedood te worden, want hij vreesde zwaar mishandeld en gefolterd te worden door de moeslims.
Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) antwoordde: “Ik was slechts omwille van de islam ten strijde getrokken tegen u. Ik had u op de grond geworpen en het zwaard tegen u getrokken om de islam te verdedigen. Een ware gelovige strijdt niet om persoonlijke belangen. Nu u op mijn gezicht heeft gespuwd, is het een persoonlijke kwestie tussen u en mij geworden. Ik kan u niet meer slaan. Als ik dat toch doe, zal Allah Ta Ala mij bij het Laatste Oordeel op de Dag der Opstanding daarover om rekenschap vragen. Een moeslim strijdt slechts omwille van zijn godsdienst en niet om persoonlijke vetes en of privéaangelegenheden.”
De heiden geraakte sterk onder de indruk van deze woorden en dit gedrag van Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe). Hij dacht, dat de moeslims om wereldse zaken vochten, maar ontdekte plotseling dat het niet zo was. Hij bekeerde zich tot de islam, keerde het heidendom de rug toe en sloot zich aan bij de gelovigen om de islam te beschermen. Tegenwoordig zijn er vele moeslims in strijd met elkaar gewikkeld om wereldse dan wel persoonlijke belangen. Overal is er ruzie om een functie of om privé- en of familiebelangen. Het gedrag van de beroemde Hazrat Alie (radiyallaahoe anhoe) strekt ons tot voorbeeld.
In navolging van de Hadies van de Profeet van Allah (sallallaahoe alaihi wa sallam) dient een ware moeslim slechts omwille van Allah Ta Ala te strijden en ook slechts omwille van Allah Ta Ala vriendschap te sluiten.
8. Een heilige en Satan
Een heilige hoorde eens, dat er in zijn buurt een groep mensen begonnen was met de aanbidding van een boom. Dit maakte hem woedend. Hoe konden mensen hun Schepper vergeten en dingen van de schepping aanbidden, dacht hij? Hij besloot direct om de bedoelde boom te vellen. Gewapend met een bijl begaf hij zich op zoek naar de afgodsboom, vastberaden om een einde te maken aan deze vorm van afgodendienst in zijn buurt.
Dit dappere optreden van de heilige veroorzaakte groot ongenoegen bij Satan, die zeer verontrust raakte door het besluit van deze. Met vele listige plannen had hij de mensen zo ver gekregen, dat zij Allah Ta Ala vergaten en de boom als hun god verheerlijkten. Ten koste van alles moest voorkomen worden, dat de boom werd omgehakt, dacht hij.
Satan nam de gedaante van een heilige aan en deed zijn opwachting langs de weg naar de aanbeden boom. Het duurde niet lang of hij zag de man met opgeheven bijl naderbij komen. Hij riep hem heel vriendelijk en vol respect toe en na hem heel eerbiedig vrede en zegeningen van Allah Ta Ala te hebben toegewenst met “assalaamoe alaikoem we rahmatoellaahi we barakaatoeh,” zei hij het volgende. “Eerwaarde, waar is de reis naar toe? Heeft u problemen? Moet u ook hard werken om aan uw dagelijks brood te komen? Gaat u houthakken? Dat staan wij niet toe. U bent onze heilige. Wij kunnen u niet in de steek laten. Geef de bijl maar aan uw nederige dienaar.” Daarbij probeerde hij de heilige de bijl afhandig te maken, terwijl hij zich als een grote weldoener voordeed.
Satan: “Gaat u maar naar huis en houdt u zich bezig met aanbidding van Allah Ta Ala. Voortaan moet u maar zeggen wat u nodig heeft en u krijgt alles thuis bezorgd.”
Heilige: “Heb jij dan niet gehoord, dat de bewoners van onze buurt boomaanbidders zijn geworden? En dat terwijl ik in hun midden ben? Er zal een einde aan komen. Neen, ik zal de afgodsboom vandaag omhakken.”
Satan probeerde hem er op allerlei manieren toe te bewegen om terug te keren en zijn kostbare tijd niet te verspillen aan het ondernemen van een reis naar een boom om die te vellen. “Die boom heeft u toch niets gedaan?” Hij zei: “U bent toch niet verantwoordelijk voor hetgeen anderen doen? Hoeveel namaaz en tasbieh zou u niet hebben gedaan, indien u thuis zou zijn gebleven? Nu heeft u dat alles gemist.” De heilige zei: “Niemand zal mij nu nog kunnen beletten om die afgodsboom te vellen. En degenen die op mijn weg een obstakel vormen, zullen ook opgeruimd worden.”
Satan ging toen voor hem staan, versperde hem de weg en zei: “Ruim mij dan maar op. Jij hakt die boom niet om.”
Bij een poging van de heilige om door te lopen, ontstond er een worsteling tussen beiden, waarbij Satan verloor. Meermalen gingen beiden elkaar te lijf en telkens verloor Satan van de heilige. Hij probeerde het op een andere manier. Hij beloofde de heilige om dagelijks voor hem zijn kostgeld te zullen brengen, zodat deze niets meer behoefde te doen voor het verzorgen van zijn gezin. Hij moest de afgodsboom echter met rust laten en terugkeren naar huis. Hij kon zich dan volledig bezighouden met het doen van namaaz (gebed) en tasbieh (verheerlijking van God) en andere vormen van ibaadat (aanbidding). Wat zou hij bereiken door de boom te kappen? De mensen zouden een andere boom beginnen te aanbidden. Hoe lang zou hij op die manier doorgaan met het omhakken van bomen?
De heilige kwam in de verleiding. Hij dacht aan de vrije tijd die hij zou krijgen om ibaadat te doen. Hij zou dagelijks zijn kostgeld ontvangen. En, dacht hij, het is waar. Als ik één boom omhak, zullen de mensen een andere kiezen. Hij hakte de knoop door en ging akkoord met het aanbod van de andere, niet wetende, dat hij de prooi was geworden van de listige plannen van Satan.
Blij ging hij terug naar huis en bedankte Allah, dat Hij hem voor zijn leven had uitgekozen voor Zijn ibaadat. De eerste dag kreeg hij het beloofde geld op tijd. Dat gebeurde enkele dagen. Maar daarna verscheen de weldoener niet meer. Reeds enkele dagen liet hij verstek gaan, totdat het geduld van de heilige opraakte. Hij begreep toen, dat hij was beetgenomen door Satan. Een grote woede kwam in hem op. Hij pakte de bijl weer op en vastberaden om de boom nu te vellen, wat er ook zou gebeuren, verliet hij zijn huis.
Na een poosje gelopen te hebben, zag hij een glimlachende Satan hem aankijken. Uitdagend stond deze midden op de weg en gaf opdracht aan de heilige om terug te keren met zijn bijl. Deze gooide de bijl opzij en greep Satan vast om hem op de grond te werpen. Maar nu verloor hij van zijn tegenstander. Hij probeerde het nog eens, maar weer verloor hij. Zijn woede nam toe. Hij begreep niet hoe hij enkele dagen geleden nog deze bedrieger had overwonnen. Nu leek zijn vijand veel sterker te zijn geworden. Satan zei lachend: “Toen was jouw intentie zuiver om de aanbidding van afgoden te bestrijden. Allah Ta Ala verschafte jou toen daarom geestelijke kracht. Je kon mij toen gemakkelijk overwinnen. Vandaag is jouw intentie echter vals. Je bent niet ten strijde getrokken om de afgodendienst te be-strijden, maar omdat je het beloofde geld niet hebt gekre-gen. Jouw geestelijke kracht is jou ontnomen door Allah. Je zult mij niet kunnen overwinnen, want jouw intentie is niet goed en daden worden naar intentie beloond.”
En zo ging deze man, die door wereldse begeerten machteloos geworden was terug naar huis. Voor ons liet hij de les achter, dat wereldse begeerten ons geestelijk verzwakken, zodat wij gemakkelijk de prooi worden van Satan. Allah Ta Ala zegt in de Heilige Qoer’aan: “O gij gelovigen, gaat de islam volledig binnen en valt niet in de verleidingen van Satan. Hij is ongetwijfeld uw wezenlijke vijand.” Moge Allah Ta Ala ons behoeden voor de verleidingen en influisteringen van Satan. Aamien.
9. De man met de drie vrienden
Er was eens een man, die een heel goed leven achter de rug had. Hij was rijk, had grote invloed en bezat alles wat hij maar kon wensen. Er ontbrak hem aan niets en hij was zeer gelukkig. Op zekere dag werd hij ziek. Dat was voor hem geen probleem, want hij was meermalen ziek geweest. Al die keren werd de dokter gehaald en voordat hij er erg in had, was hij weer beter.
Maar deze keer deed de dokter hem schrikken. De ervaren dokter, in wie deze patiënt alle vertrouwen had, vertelde hem nu iets verschrikkelijks. Hij zei, dat hij niets voor de zieke zou kunnen doen. “Maar dokter,” zei de goede man, “wat gaat het mij kosten om te genezen? Ik heb geld genoeg. U zegt het maar.” Deze zei: “De ziekte waaraan u lijdt, kent geen beterschap. Het is tijd voor u om afscheid te nemen van deze vergankelijke wereld. Uw laatste uur is nabij. U zult doodgaan.”
De man dacht aan al zijn bezittingen, waaraan hij sterk gehecht was. Moest hij dat alles zo plotseling verliezen? Dat wilde hij niet. Hij dacht aan zijn familie, vrienden en kennissen, van wie hij zoveel hield. Moest hij die van de ene op de andere dag vaarwel zeggen? Hij dacht daar niet aan. Hij dacht aan het genotvolle leven, dat hij had. Moest hij dat nu zo abrupt beëindigen? Hij zou zich verzetten.
Hij zou zijn bezittingen beschermen. Hij had er hard voor gewerkt. Waarom zou hij ze voor anderen laten? Hij zou zijn leven ten koste van wat dan ook verdedigen. Hij had nog zoveel te doen. Wat zou er met zijn mooie plannen gebeuren, als hij nu dood zou gaan? Neen, hij moest blijven leven.
Hij dacht aan zijn vrienden en kennissen. Misschien zouden die hem wel kunnen helpen. Zo klopte hij bij zijn eerste vriend aan. Maar daar wachtte hem een nog grotere teleurstelling. “Ik kan jou niet redden,” zei deze. “Maar wij waren zo aan elkaar gehecht,” zei de man. “Ga je mij nu zonder meer in de steek laten?” “Ja, zo is het leven nu eenmaal,” zei de vriend. “Zolang je leeft, ben ik jouw vriend. Tijdens jouw leven ben ik van jou. Nu je dit aardse leven beëindigt, zal ik maar een andere vriend kiezen.” Nu pas begreep de arme man, dat hij een heel onbetrouwbare en slechte vriend had uitgekozen.
Maar hij gaf de moed nog niet op. Hij begaf zich naar zijn tweede vriend, maar daar veranderde zijn teleurstelling in verontwaardiging. De tweede vriend zei niets anders te kunnen doen, dan hem na zijn dood een waardige begrafenis te geven en veertig dagen lang voor hem te laten bidden door een imaam. Al zijn rijkdommen en bezittingen zou hij daarna overnemen.
Nogmaals besefte de man hoe verkeerd hij was geweest bij het kiezen van zijn vrienden. Nu was hij alleen aan zijn lot overgelaten. Hij werd bang. Moest hij nu echt alleen door het leven gaan? Hij was nooit alleen geweest. Als hij dan toch moest gaan, wilde hij minstens vergezeld worden van iemand. En toen dacht hij, dat hij nog een derde vriend had. Maar bij hem wilde hij liever niet gaan. Die was een slechte vriend. Van hem verwachtte hij niets goeds. Hij bleef veel liever alleen, dan in gezelschap van zo’n slechte vriend. Tot zijn grote schrik ontdekte hij, dat die slechte vriend zelf naar hem kwam toegelopen. De man hoorde dat de derde vriend met hem zou meegaan. Hij zou hem nooit in de steek laten. Hij had hem door het gehele leven begeleid en dacht er niet aan om hem alleen te laten gaan.
Hulpeloos zag de man toe hoe hij door al zijn geliefden in de steek werd gelaten en hoe hij tegen zijn zin tot in zijn graf door zijn slechte vriend werd gevolgd. Hij kon zich niet redden. Hij was een verloren mens geworden.
Weet u wel wie de zieke man en zijn drie vrienden waren?
Wel, de zieke man kunnen wij vergelijken met ieder willekeurig mens. Wij kunnen hem vergelijken met onszelf. De eerste vriend kan vergeleken worden met onze rijkdommen, die na onze dood anderen zullen toebehoren en voor ons van generlei nut zullen blijken te zijn. Ze zullen geërfd worden door onze nabestaanden.
De tweede vriend stelt onze familie en vrienden voor, die ons een waardige begrafenis zullen geven en ons daarna de rug zullen toekeren om bezit te nemen van onze rijkdommen en bezittingen, die wij met zoveel moeite en ontberingen hebben vergaard. Tenslotte moeten onze goede en slechte daden als de laatste vriend en begeleider in het graf gezien worden. Hebben wij goed geleefd, dan worden wij op weg naar het hiernamaals vergezeld van een goede vriend. Hebben wij echter slechte daden in ons leven verricht, dan zullen wij na onze dood vergezeld worden van vrees, ellende en verdriet. Laat ons geloven in Allah, Zijn profeet en in de waarheid van de islam. Laat de liefde van rijkdommen, familie en vrienden ons niet verleiden en afhouden van Allah Ta Ala en Zijn profeet. Laat ons goed doen en Allah Ta Ala en Zijn geliefde profeet (sallallaahoe alaihi wa sallam) gehoorzamen om in het hiernamaals een goede metgezel te hebben.
Er leefde eens een welgesteld man, die zeer deugdzaam was. Hij had op een zoon na geen familie. Zijn zoon was te avontuurlijk en op zeer jonge leeftijd liet hij zijn vader eenzaam achter en trok de wijde wereld in om daarna nooit meer iets van zich te laten horen.
De vader verlangde ernaar om zijn zoon eens terug te zien en leefde vol verdriet en smart vele jaren in eenzaamheid tot hij oud werd en het besef kreeg, dat hij niet lang meer zou leven. Hij dacht aan zijn bezittingen en rijkdommen, die hij graag aan zijn zoon zou willen geven, als deze bij hem zou zijn. Gelovig als hij was, bad de vader elke dag tot Allah Ta Ala voor de wederkeer van zijn dierbare zoon, die zijn enige erfgenaam was.
De zoon kwam echter nooit meer terug. Toen de man op het punt stond om zijn laatste adem uit te blazen, liet hij de rechter bij zich komen en overhandigde hem het testament, dat hij reeds had laten opmaken. Daarin had hij zijn gehele nalatenschap voor zijn enige zoon bestemd. Daarna sloot de verdrietige vader voorgoed de ogen. De rechter zorgde voor zijn begrafenis en vaardigde een bevel tot opsporing van de zoon uit. Hij liet daarbij bekendmaken, dat de rijkaard overleden was en een fortuin had achtergelaten voor zijn enige zoon, die daarvoor in aanmerking kwam.
Tot grote verwondering van iedereen meldden zich na enkele dagen twee personen aan en zij beweerden beiden de zoon van de overleden rijkaard te zijn. Het was een zeer grote opgave voor de rechter om te beslissen wie de rechtmatige erfgenaam was en aan wie van beiden hij de rijkdommen van de overleden man zou toewijzen.
Na lange tijd nagedacht te hebben, waarbij hij niet vergat om tot Allah Ta Ala te bidden voor een rechtvaardige beslissing, bedacht hij een oplossing. Hij liet een groot portret van de overleden vader brengen en bevestigde dat aan een muur. Hij gaf de beide mannen, die zich de zoon van de overledene noemden een geweer en zei: “Wie van jullie beiden het gelukt om precies het hart van het portret te raken, zal als de rechtmatige erfgenaam aangewezen worden. Hem zal ik de erfenis van zijn vader toewijzen.”
Een van de mannen sprong direct in de houding en mikte precies op het hart van het portret. Hij wilde net gaan vuren toen de tweede man voor de loop van het geweer sprong en vol berouw zei: “Al ben ik een onwaardige zoon voor mijn vader geweest en al heb ik hem veel verdriet bezorgd door hem te verlaten en nooit meer terug te komen tijdens zijn leven, maar nu zal ik niet toestaan dat er op zijn portret wordt geschoten. Liever vang ik de kogel op mijn borst en sterf ik. Misschien kan dat de vergelding zijn van het verdriet, dat ik mijn waardige vader heb bezorgd. Ik heb geen recht op zijn rijkdom.”
De rechter gaf aan de aanwezige politiemannen opdracht om de eerste man te grijpen. Hij werd beschuldigd van bedriegerij en werd door de politie gearresteerd. Hij kreeg een lange gevangenisstraf. De tweede man werd als de ware zoon en de rechtmatige erfgenaam aangewezen en kreeg het gehele nalatenschap van zijn vader toegewezen. Wat leert dit verhaal ons? Dit verhaal leert ons dat er eens fortuinen en grote nalatenschappen toegewezen zullen worden aan de rechtmatige en ware dienaren van Allah Ta Ala. Dat zal op de Dag des Oordeels zijn. Er zullen zich daar ook mensen aanmelden om in aanmerking te komen voor grote erfenissen in het paradijs.
Sommigen van hen zullen op aarde schoten van allerlei ondeugden en ongeoorloofdheden hebben afgevuurd op de ware godsdienst, de islam. Er zullen daar mensen komen, die de islam zullen hebben doorboord met kogels van veelgodenaanbidding en ongeloof, dwaling en huichelarij, hoogmoedigheid en zelfverheerlijking, meedogenloosheid en wraak, haat en jaloezie, alcoholmisbruik en onrein voedsel, ontucht en leugen, ruzie en ophitsing, moord en mishandeling, onderdrukking en machtsmisbruik, corrup-tie en onrechtvaardigheid, beledigingen en valse beschul-digingen, plichtsverzuim en oneerbiedigheid, verwaarlo-zing van de gebeden en religieuze verplichtingen enz.
Al deze mensen zullen beweren ware dienaren van Allah Ta Ala te zijn en aanspraken maken op een aandeel in het paradijs. Zij zullen, beschuldigd van bedriegerij, door de hellebewakers gegrepen en gearresteerd worden en in de hel een langdurige straf uitzitten. De ongelovigen zullen zelfs tot een eeuwige straf veroordeeld worden. Er zullen zich ook dienaren aanmelden, die zich allerlei ontberingen van ongeloof en andere ondeugden zullen hebben getroost omwille van de islam. Zij zullen de dienaren zijn die alleen maar om de islam te beschermen kogels van beledigingen en valse beschuldigingen, vernederingen en zware mishandelingen op hun borsten opgevangen zullen hebben. Zij zullen als rechtmatige en ware dienaren van Allah Ta Ala een plaats in het paradijs toegewezen krijgen. Zij zullen daar eeuwig in gelukzaligheid vertoeven.
11. Shaikh Sa'die (rahmatoellaahi alaihi)
Hazrat Shaikh Sa'die (rahmatoellaahi alaihi) was een groot schriftgeleerde en een walie van Allah Ta Ala. Deze is een heilige, die door zijn godvrezendheid met de vriendschap van Allah Ta Ala is begunstigd.
Hazrat Shaikh Sa'die had de gewoonte om, zoals het een waardige gelovige betaamt, vijfmaal daags naar de mas-djid te gaan om er zijn gebedsverplichtingen na te komen. Hij woonde in een tropisch land waar de temperatuur hoog kon oplopen en men in het zand niet ongedeerd op blote voeten kon lopen. Eens ging Hazrat Shaikh Sa'die (rah-matoellahi alaihi) weer naar de masdjid om zijn zohrna-maaz te doen. Dit is het middaggebed, dat gehouden wordt wanneer de zon haar hoogste stand heeft bereikt. Dat betekent dus, wanneer het op de dag het heetst is.
Shaikh Sa'die (rahmatoellaahi alaihi) was niet gierig op wereldse bezittingen en bezat niet meer dan een goedkoop gewaad en enkele andere noodzakelijke dingen. Hij had niet eens schoenen om in het hete zand in de hitte van de zon te dragen. Toen hij op blote voeten lopend in de masdjid kwam, bemerkte hij grote blaren aan zijn hielen, die hem zeer veel pijn deden.
Hij bad tot Allah Ta Ala en smeekte Hem om een paar schoenen voor bescherming van zijn voeten tegen het hete zand, want dat mocht geen reden voor hem zijn om de moskee niet te bezoeken. Hij was iemand, wiens gebeden verhoord werden. Hij rekende er dus op dat hij bij het verlaten van de masdjid buiten een paar schoenen zou aantreffen. Toen hij de masdjid echter verliet, was daar geen spoor van schoenen te bespeuren, hoe hij ook keek. Plotseling zag hij voor zich een oude man kruipend naar de masdjid komen. Deze man had zijn beide benen kwijt. Hij kroop op zijn handen en sleurde zijn lichaam brandend in het hete zand met zich mee.
Shaikh Sa'die (rahmatoellaahi alaihi) keerde haastig terug in de masdjid. Hij wierp zich onmiddellijk neer in buiging. Hij vernederde zich voor Allah Ta Ala en toonde berouw voor zijn ondankbaarheid. Hij dankte Allah Ta Ala, dat hij twee gezonde benen bezat in tegenstelling tot de oude man, die helemaal geen benen had en toch door het hete zand kruipend op zijn armen naar de masdjid kwam om er zijn plichten te doen. Hij wilde geen schoenen meer hebben. Hij was gelukkig en tevreden met hetgeen Allah Ta Ala hem had gegeven.
Uit dit verhaal over Hazrat Shaikh Sa'die (rahmatoellaahi alaihi) leren wij, dat wij niet moeten kijken naar de dingen die wij niet hebben, maar naar de dingen die wij wel hebben. Wij moeten ook niet kijken naar degenen die meer bezitten dan wijzelf. Wij moeten ook eens kijken naar degenen die minder hebben dan wij. Dan zullen wij hetgeen wij van Allah Ta Ala hebben gekregen waarderen en tevreden en gelukkig zijn.
12. De echte faillietverklaarde
De Heilige Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) vroeg aan de sahaabies of zij wisten wie de echte faillietverklaarde was. De sahaabies van de Profeet (sallal-laahoe alaihi wa sallam) plachtten hem op al zijn vragen als volgt te antwoorden: “Allah en Zijn profeet weten het beter.” Dat was een aanduiding, dat zij het graag van de Profeet (sallallaahoe alaihi wa sallam) zelf wilden horen.
De Profeet (sallallaahoe alaihi wa sallam) zei, dat alle mensen op de Dag des Oordeels voor Allah Ta Ala geleid zouden worden om geoordeeld te worden. Velen zullen daar met zeer veel goede werken verschijnen en een verheven plaats in het paradijs krijgen. Sommigen zullen er komen zonder genoeg goede werken om naar het paradijs te gaan. Zij zullen in djahannam terechtkomen. Anderen zullen door de weldaad van onze Heer vergeven worden en ook een plaats in het paradijs verwerven. Een groep zal door bemiddeling van de Heilige Profeet Moehammad (sallallaahoe alaihi wa sallam) vergiffenis krijgen van hun zonden en naar het paradijs gestuurd worden. Zij zullen in gelukzaligheid leven.
Tenslotte zal er iemand met zeer veel goede werken, waaronder namaaz, vasten, hadj en zekaat komen. Hij zal heel trots en triomfantelijk, vertrouwend op zijn goede werken, denken een plaats te krijgen in het paradijs.
Plotseling zal er iemand op hem afkomen en vergelding eisen voor aan hem gedane onrecht door deze persoon. Hij zal sommigen hebben benadeeld. Anderen zal hij hebben aangetast in hun eer. Velen zal hij verdriet en ongeluk hebben bezorgd door mishandelingen, beledigingen en valse beschuldigingen.
Als vergelding van al dit onrecht zal hij een deel van zijn goede werken moeten afstaan aan betrokkenen. Er zullen mensen blijven komen en grote delen van zijn goede werken opeisen tot er niets meer voor hem overblijft. De mensen zullen blijven komen en omdat hij geen goede werken meer zal over hebben om zijn onrecht aan hen te vergelden, zal hij beladen worden met de zonden van dezen. Hij zal zodoende al zijn goede werken verliezen en de zonden van anderen voor zijn rekening krijgen.
Tenslotte zullen de engelen opdracht krijgen van Allah Ta Ala om hem naar djahannam te voeren. Deze persoon zal de ware faillietverklaarde zijn.
Wij dienen te weten, dat er twee soorten verplichtingen zijn. Een ten opzichte van Allah Ta Ala en het andere ten opzichte van de schepselen. Overtredingen jegens de Schepper zullen door Hem vergeven worden. Tekortko-mingen jegens de schepselen zullen slechts dan vergeven worden, als de rechthebbende kwijtschelding verleent van zijn rechten, anders zal men zijn benadeelden op de Dag des Oordeels moeten vergoeden met zijn goede werken en zodoende arm en berooid in de hel terechtkomen.
13. De waarde van de weldaden van Allah
Een man uit het geslacht van Banie Israiel had de wens om zich ver van de buitenwereld in afzondering terug te trekken voor de aanbidding van Allah Ta Ala. Omdat hij dat keer op keer kenbaar maakte, deed Allah Ta Ala hem ergens heel ver op een eenzaam eiland belanden, waar er niemand woonde.
Heel blij en trots nam deze, op aanbidding van God beluste man, zijn intrek op het eiland, waar hij overdag vaste en 's avonds namaaz en dzikr deed. Hij ontvastte iedere dag met het water van de enige waterbron op het eiland en voedde zich met de druiven van een struik, die Allah Ta Ala daar had laten groeien.
Hij vergat de gehele wereld met inbegrip van zijn huis en huisgenoten en zijn gedachten waren steeds bij zijn Heer, Die zijn levenswens in vervulling had gebracht. Hij leefde zo gedurende driehonderd jaar.
Na zijn dood werd hij voor Allah Ta Ala gebracht om geoordeeld te worden. Heel blij en trots kwam hij vol zelfverzekering voor zijn Heer. Hij dacht voor zijn aanbid-ding en opofferingen beloond te worden. Allah Ta Ala deelde de man mede dat Hij hem met Zijn weldaad het paradijs zou schenken. De man scheen heel ontevreden met deze mededeling en vroeg: “Als U mij met Uw weldaad het paradijs schenkt, wat gebeurt er dan met mijn eeuwenlange aanbidding en opofferingen?” Allah Ta Ala vroeg aan de man wat hij wenste. Deze zei: “Ik wil als loon voor mijn aanbidding en opofferingen het paradijs krijgen en niet met Uw weldaad.”
Allah Ta Ala liet de aanbiddingen en opofferingen van de man wegen tegenover de weldaden die Hij hem had geschonken. In een van de schalen van de weeg plaatste Hij alle goede werken van de man en in de andere de waarde van slechts een van zijn ademhalingen.
De schaal met de ademhaling van de man bleek veel zwaarder te zijn dan de aanbiddingen en opofferingen die hij gedurende zijn gehele leven had gedaan. De ene ademhaling die Allah Ta Ala had laten wegen, was waardevoller dan al zijn goede werken. Hoeveel waarde zouden dan al zijn ademhalingen van drie eeuwen wel hebben? Allah Ta Ala gaf nu opdracht om de man naar de hel te brengen, want zijn goede werken waren niets in waarde vergeleken met de weldaden die hij van zijn Heer had gekregen. De man schrok en zei: “Mijn Heer, moet ik ondanks al mijn vasten, namaaz, dzikr en opofferingen, die ik drie eeuwen lang heb gedaan toch naar de hel?”
Hij kreeg te horen, dat al zijn minuten en seconden van aanbiddingen en opofferingen eveneens tot weldaden van Allah Ta Ala behoorden. Niets dat hij had gedaan, was uit hemzelf gekomen. Ook een plaats in het paradijs zal men krijgen door de weldaad van zijn Heer en niet door eigen inzet en of opofferingen.
Uit het bovenstaande leren wij dat wij niet prat moeten gaan op onze prestaties en denken dat wij recht hebben op een beloning van onze Heer. Allah Ta Ala is niet verplicht om ons te belonen voor onze goede werken. Alle gunsten die wij van Hem hebben gekregen, zijn slechts door Zijn weldaad aan ons gegeven en niet door onze eigen moeite.
14. Daden worden naar intentie beloond
Toen Adam (alaihis salaam) op aarde kwam, was hij zeer verdrietig. Hij dacht al maar aan de overtreding die hij in het paradijs had begaan en smeekte Allah Ta Ala onophoudelijk om vergeving.
Allah Ta Ala gaf opdracht aan alle dieren van de wereld om Zijn profeet (alaihis salaam) te bezoeken om hem te troosten. De dieren bezochten Adam (alaihis salaam) en toonden hun medeleven met hem. Een kudde muskusossen kwam bij hem en Adam (alaihis salaam) streelde hen uit dankbaarheid voor hun bezoek op de ruggen, waardoor deze de zoete geur van muskus kregen. Voorheen bezat dit dier geen muskusgeur, zoals nu. Van toen af wordt het ook muskusos genoemd.
Toen de muskusos terugkeerde naar de andere dieren, verwonderden zij zich over de geur die deze had gekregen en zij vroegen hem naar de oorzaak ervan. Toen de andere dieren hoorden, dat de zoete geur van de muskusos het gevolg was van de streling van Adam (alaihis salaam), haastten zij zich eveneens om hem te bezoeken in de hoop ook beloond te worden met de geur van muskus.
Adam (alaihis salaam) was heel blij met het bezoek van de dieren en streelde ook hen op de ruggen ten teken van dankbaarheid, maar deze streling veroorzaakte geen zoete geur bij de dieren. Teleurgesteld vroegen zij aan Adam (alaihis salaam) om ook hen te begunstigen zoals hij dat gedaan had met de muskusos.
Adam (alaihis salaam) zei: “Die dieren waren bij mij slechts gekomen om mij door hun bezoek te troosten in mijn verdriet. Hun intentie was zuiver. Zij hadden geen andere bedoelingen. Jullie zijn niet gekomen om mij te troosten, doch alleen maar uit begeerte voor de geur van muskus. Jullie hebben met jullie bezoek eigen belangen beoogd. Jullie intentie is niet zuiver. Ik waardeer het bezoek van jullie wel. Het stemt mij tot genoegen, maar jullie kunnen niet in aanmerking komen voor een verdere beloning.”
Uit het bovenstaande leren wij, dat goede werken gedaan uit liefde voor Allah Ta Ala en Zijn profeet beloond worden, zonder dat de beloning door de dienaar verwacht wordt. Er zijn vele mensen, die dzikr of namaaz doen om bepaalde niveaus op geestelijk gebied te bereiken. Zij doen deze werken niet uit liefde voor Allah en Zijn profeet. Hun intentie is niet zuiver. Zij streven zelfverheffing na met het doen van bepaalde dzikr of gebeden en geen verheerlijking van Allah Ta Ala. Daarom wordt door de goede werken van dezen het gewenste effect niet gesorteerd.
15. De vlucht voor de dood
Hazrat Soelaiman (alaihis salaam) kreeg eens bezoek van een man, die heel geschrokken bleek te zijn. Hij zag er heel bleek uit van de schrik. Met een bevende stem zei hij de Doodsengel te hebben ontmoet, die hem met boze ogen volgde. Hij zei: “O Profeet van Allah, ik ben bang, dat hij mijn ziel zal nemen en dat ik dood zal gaan. U heeft macht over geesten, djinn en mensen. U heeft ook macht over wateren en de wind. Als u wilt reizen, laat u zich door de wind over grote afstanden naar verre plaatsen vervoeren. Alstublieft, o Profeet van Allah, help mij. Geef de wind opdracht om mij naar India te vervoeren, opdat ik gered kan worden van de dood. Als ik daar zal zijn aangekomen, zal ik gerustgesteld zijn, want ik denk niet dat de Doodsengel mij zover zal komen opzoeken.” Hazrat Soelaiman (alaihis salaam) gaf de wind opdracht om deze doodsbange man vanuit Jeruzalem, waar zij woonden, naar India te vervoeren. In een oogwenk werd de man door de wind naar het verre India gebracht. Dat ging zo vlug, dat de man daar niets van bemerkte.
De volgende dag kwam de Doodsengel gewoontegetrouw naar het hof van Hazrat Soelaiman (alaihis salaam) om hem te begroeten. Deze vroeg hem over het lot van de man die door de Doodsengel de vorige dag met boze ogen werd bedreigd. Hij vertelde hem verder, dat de arme man zo bang was geworden, dat hij Jeruzalem verliet om in India bescherming te zoeken. De Doodsengel antwoordde:
“O Profeet van Allah, ik had opdracht van Allah Ta Ala om die bewuste man diezelfde dag zijn ziel in India te ontnemen. Ik was verbaasd hem nog hier te zien, terwijl de afstand naar India zo groot is, dat hij onmogelijk diezelfde dag nog daar zou kunnen zijn. Hoe zou ik dan zijn ziel daar kunnen nemen? Terwijl ik hier nog over bezig was na te denken, verzocht hij u om hem naar India te laten vervoeren door de wind. Zodoende kwam hij net op het juiste tijdstip aan op de plaats waar hij dood moest gaan. Terstond na zijn aankomst in India nam ik zijn ziel en overleed hij.”
Uit dit voorval leren wij, dat het onmogelijk is om voor de dood te vluchten. Het tijdstip en de plaats van onze dood zijn reeds vooraf bepaald door Allah Ta Ala.
16. De taal van de dieren
Hazrat Moesa (alaihis salaam) was een vooraanstaande profeet en boodschapper van Allah Ta Ala. Eens kwam een man bij hem met het verzoek om hem de taal van de dieren te leren. Hazrat Moesa (alaihis salaam) zei: “Blijf mens en haal het uit je hoofd om de taal van de dieren te leren. Allah Ta Ala heeft de mensen niet zonder meer van die kennis onthouden.” De man drong er maar op aan, hoezeer Hazrat Moesa (alaihis salaam) hem ook tot andere gedachten trachtte te brengen. Hij zei: “O Profeet van Allah, het is mijn innige wens. Gun het mij. Bid voor mij tot Allah, dat ik tenminste de taal van de dieren kan verstaan.”
Hazrat Moesa (alaihis salaam) vroeg de man nogmaals heel dringend af te zien van dit voornemen. Hij vertelde hem, dat Allah Ta Ala redenen had om de mensen de taal van de dieren niet te laten verstaan. “Het was allemaal in het belang van de mensen zelf, dat zij dieren niet konden verstaan, anders zou het leven voor hen onmogelijk worden,” zei hij tot de man.
De man was niet vatbaar voor de goede adviezen van Hazrat Moesa (alaihis salaam) en tenslotte bad Hazrat Moesa (alaihis salaam) voor hem tot Allah Ta Ala, dat hij de taal van de dieren zou kunnen verstaan.
Hij waarschuwde de man wel heel ernstig, dat deze zelf verantwoordelijk was voor de gevolgen, die hieruit zouden voortvloeien. Plotseling bemerkte de man, dat hij de taal van de dieren kon verstaan. Hij werd heel blij en trots.
Hij ging naar huis en genoot van de verhalen die de dieren elkaar te vertellen hadden. Hij had vele huisdieren, waaronder kippen, een hond, een stier en zijn paard. Eens liet de man een stuk vlees vallen, nadat hij zich tegoed had gedaan aan een smakelijke maaltijd. De haan vloog erop af en peuzelde het op, waarop de hond klagend zei: “Jij bent een haan. Jij kan je honger stillen met kruimels en kleine insecten. Waarom heb je het vlees niet voor mij gelaten? Nu moet ik honger lijden.” De haan zei: “Morgen gaat de stier van onze meester dood. Jij zal dan naar wens van het vlees daarvan mogen smullen. Heb een dagje geduld.” De man hoorde dit en schrok. Hij zou zijn stier verliezen. Hij wilde dat zware verlies niet lijden en verkocht de stier onmiddellijk aan zijn niets vermoedende buurman. De dag daarop stierf de stier en de buurman voelde zich zeer ongelukkig, terwijl de man in zijn nopjes lachte.
De hond beklaagde zich bij de haan, dat deze hem had bedrogen. Hij had nog steeds honger. “Heb nog een dag geduld,” zei de haan. “Morgen gaat het paard van onze meester dood. Dan zal je feest hebben.”
De man hoorde dat en verkocht het paard aan een vriend. De dag daarop ging ook het paard dood. De man voelde zich geweldig. Hij dacht, dat het heel goed was, dat hij de taal van de dieren kon verstaan. Zodoende, dacht hij, had hij zich kunnen redden van twee grote verliezen. Nu hadden de kopers van de stier en het paard hun geld kwijt, terwijl de man gered was.
De arme hond klaagde weer heel hongerig bij de haan. Wat moest hij doen? De haan verzekerde hem, dat deze niets meer hoefde te vrezen. Hij zei: “Morgen gaat onze meester zelf dood. Er zal dan omwille van zijn zielenrust voor arme mensen voedsel worden bereid. Jij zal daarvan ook jouw aandeel genieten.”
De man schrok nu zo hevig, dat hij niet wist wat te doen. Hij haastte zich naar Hazrat Moesa (alaihis salaam) en vroeg om geholpen te worden. Moesa (alaihis salaam) antwoordde: “Had ik jou niet gezegd, dat het fataal voor jou zou zijn om de taal van de dieren te leren?
Er moest thuis bij jou een dode vallen. Het lot had bepaald, dat het de stier zou zijn. Maar omdat jij de taal van de haan verstond, kwam jij dat te weten en je verkocht de stier, die toen bij jouw buurman stierf.
Toen bepaalde het lot, dat het paard zou doodgaan. Jij verstond de haan en verkocht het paard, dat bij jouw vriend stierf. Maar er moest een dode thuis bij jou vallen en tenslotte bepaalde het lot, dat jij maar moest doodgaan. Er kan niets aan gedaan worden.”
Zo stierf de man die zo graag te veel wilde weten, ondanks de adviezen van de Profeet Moesa (alaihis salaam) die hem op allerlei manieren had geprobeerd uit te leggen, dat Allah Ta Ala de taal van de dieren niet zonder meer voor de mensen onverstaanbaar had gemaakt.
17. De vertrouweling van Koning Mahmoed
Koning Mahmoed Ghaznawie hield veel van Ajaaz, een van zijn hofdienaren. Dat wekte grote jaloezie op bij de anderen. Op een dag vertelde een van de jaloerse bedienden van het hof aan de koning, dat de door deze zo geliefde Ajaaz een bedrieger was. Hij zei: “Ajaaz doet alsof hij zijn leven kan opofferen voor u, terwijl hij in werkelijkheid helemaal niets van u moet horen. Hij bedenkt dag en nacht slechts streken om uw geld van u af te troggelen.”
De jaloerse bediende vertelde de koning, dat Ajaaz al een fortuin had gemaakt, dat hij buiten de stad verborgen hield. Hij zei: “Iedere avond bezoekt hij dat fortuin en laat niemand daar toe, ook niet zijn beste vrienden. Het is de moeite waard om na te gaan wat er in die kamer, die altijd op slot blijft, verborgen wordt door Ajaaz.”
De koning vond dit verhaal van de bediende vreemd en droeg een soldaat op om de kamer van Ajaaz in te breken en alles wat er zich daarin bevond voor hem te brengen. De soldaat ging naar de kamer van Ajaaz toe, brak het slot daarvan en vond daar slechts een kleine koffer, die hij meenam voor de koning.
Alle hovelingen van de koning waren verzameld in de gerechtszaal van het paleis om getuige te zijn van de bedriegerij van Ajaaz. De koning gaf opdracht om de koffer te openen en de inhoud daarvan te voorschijn te halen. Dus werd de koffer geopend en wat bleek daarin te zitten? Een paar oude schoenen, een versleten lendendoek en een gescheurd hemd. De aanwezigen waren verstomd van verbazing bij het zien van dit alles.
Ajaaz werd door de koning ontboden, die hem vroeg naar een verklaring van de drie vreemde dingen die in de koffer waren gevonden.
Ajaaz zei heel nederig: “Sire, toen ik mijn huis verliet om bij u in dienst te treden, waren deze twee versleten en gescheurde kledingstukken samen met de oude schoenen mijn enige bezittingen. Naast deze dingen bezat ik niets anders, dan de intentie om u trouw te dienen.”
De koning vroeg waarom Ajaaz ze dan niet weggooide nu hij de hofkledij van de koning had gekregen om te dragen. Wat ging hij iedere avond met die oude waardeloze bezittingen doen, vroeg de koning? Ajaaz antwoordde wederom zeer nederig: “Sire, ik wil niet vergeten hoe armoedig ik was, voordat u mij begunstigde met uw weldaden. Iedere avond bekijk ik deze oude en versleten kledingstukken. Zodoende wek ik de herinnering van mijn vroegere positie in mij op, opdat ik u dankbaar mag zijn voor wat u nu van mij heeft gemaakt.” Ajaaz vermaande zichzelf daarna luidop, zodat iedereen het kon horen en zei: “O Ajaaz, verloochen je weldoener niet. Vergeet niet, dat alles wat je nu bent door de gunst van Koning Mahmoed is bereikt. Blijf hem altijd trouw.”
Koning Mahmoed keek vol trots over Ajaaz naar de jaloerse hovelingen, die beschaamd de zaal verlieten. Ajaaz leerde ons door dit gedrag, dat wij onze armoede niet moeten vergeten in betere tijden en dat wij weldoeners altijd dankbaar moeten zijn voor hun weldaden.
Onze grootste weldoener is Allah Ta Ala, Die ons uit het niets schiep en tot mensen maakte. Hij maakte ons tot de beste schepselen van het heelal. Moeten wij Hem daarvoor niet altijd dankbaar zijn en ons nederig naar Zijn wil gedragen? Nog een les die wij uit dit verhaal over Ajaaz leren is dat wij nooit jaloers moeten zijn bij het zien van de welvaart van anderen.
18. Koning Mahmoed en de dure edelstenen
Koning Mahmoed Ghaznawie hield veel van Ajaaz, een van zijn trouwe dienaren. De andere hovelingen waren daar niet zo gelukkig mee. “Wat voor bijzonders was er aan Ajaaz, dat de koning hem meer dan alle ministers en andere hoge functionarissen waardeerde,” zeiden zij?
Zij werden langzamerhand jaloers. Tenslotte kon een van hen het niet nalaten om de koning te vragen waarom Ajaaz deze buitengewone behandeling van hem kreeg.
De koning bedacht een middel om de hovelingen te tonen welk verschil er bestond tussen hen en Ajaaz. Hij liet de eerste minister bij zich komen en gaf hem een dure edelsteen. “Wat zal de waarde hiervan kunnen zijn,” vroeg de koning aan de eerste minister?
“Wel,” antwoordde deze, “het zal zeker miljoenen dinars waard zijn.” Koning Mahmoed gaf hem hierop een moker met de opdracht om de edelsteen in stukken te slaan. De eerste minister schrok. Hij zei: “Neen Sire, dat kan ik toch niet doen. De steen is te duur om hem in stukken te slaan. Dat zou u veel schade berokkenen. Dat doe ik niet.”
De koning liet daarna een van de ministers komen, gaf hem ook een dure edelsteen en een moker met de opdracht om hem in stukken te slaan. Die weigerde eveneens om zoiets te doen, terwijl hij zei, dat het zonde was om een dure edelsteen op zo’n manier te vernielen.
Alle ministers en andere hoogwaardigheidsbekleders volgden daarna. Zij kregen allemaal een dure edelsteen en een moker met dezelfde opdracht en zij weigerden allemaal om de steen kapot te slaan. De koning toonde zich heel tevreden en gaf hen de edelstenen cadeau. Als laatste werd Ajaaz geroepen. Ook hem overhandigde de koning een dure edelsteen en een moker. Hij kreeg eveneens de opdracht om de edelsteen te verbrijzelen met de moker. Hij aarzelde geen moment. De koning had de opdracht nauwelijks gegeven of Ajaaz pakte de moker en met een harde slag vergruizelde hij de dure edelsteen tot grote ontsteltenis van alle aanwezigen.
Na van de schrik bekomen te zijn, vroegen de hovelingen aan Ajaaz, hoe hij de moed had kunnen opbrengen om de dure edelsteen van de koning kapot te slaan. “Ja,” zei de koning. “Hoe kon je zoiets doen. Wie gaat mij die dure edelsteen kunnen vergoeden.”
Ajaaz antwoordde: “Jullie, hoogwaardigheidsbekleders, weten jullie niet wat een opdracht van de koning is? Jullie waarderen een edelsteen hoger dan de opdracht van jullie koning. Welke edelsteen heeft meer waarde dan de koninklijke opdracht? In mijn ogen heeft de opdracht van mijn koning meer waarde dan alle edelstenen ter wereld te zamen.” Hij zei verder: “Jullie hebben de opdracht van de koning kapot geslagen en de edelstenen gespaard. Ik heb de opdracht van de koning gerespecteerd en de edelsteen kapot geslagen.”
Dit gedrag van Ajaaz leert ons, dat wij de opdrachten en bevelen van onze Heer en God moeten volgen al klinken ze niet goed in onze oren en al lijken ze nadelig voor ons. Allah Ta Ala zegt in de Qoer’aan Al Kariem het volgende: “En het kan zijn dat u iets afkeurt, terwijl dat juist goed is voor u. En het kan zijn dat u van iets houdt, terwijl het juist slecht is voor u. En Allah weet en u weet het niet.”
Iblies had toch ook geweigerd om voor Adam (alaihis salaam) te buigen, terwijl dat een opdracht van Allah was?
19. Ajaaz en de bittere appel
Koning Mahmoed Ghaznawie had de gewoonte om bij het eten van een vrucht, eerst een deel daarvan aan zijn trouwe dienaar Ajaaz te geven. Deze nam het altijd dankbaar aan en at het smakelijk op. Dat was bijna iedere dag het geval.
Eens kreeg de koning een vrucht bij de maaltijd. Hij sneed die in stukken en gaf gewoontegetrouw het eerste stuk daarvan aan Ajaaz. Deze nam het met dankwoorden aan en at het heel smakelijk op. Daarna stopte de koning een stuk van de vrucht in zijn mond om die haastig met afschuw weer uit te spuwen, terwijl hij uitriep:
“Wat afschuwelijk! Ajaaz, waarom heb je mij niet gezegd, dat de vrucht zo bitter is. Hoe heb je dat zo smakelijk door jouw keel kunnen krijgen?” De koning scheen beschaamd en boos tegelijk te zijn over de verzwijging van Ajaaz. Immers, hij had gedacht dat Ajaaz genoten zou hebben van de vrucht, die hij hem had aangeboden.
Heel nederig bood Ajaaz zijn verontschuldigingen aan en zei: “Sire, ik heb waarlijk genoten van de vrucht, al was die zo bitter. Ik krijg iedere dag van uw hand zoete vruchten en andere aangename gunsten. Die neem ik met genoegen aan. Waarom zou ik een keer een bittere vrucht afwijzen? Als ik door mijn Heer zoveel begunstigd word, is het toch een teken van ondankbaarheid om de minder aangename dingen af te wijzen?”
Dit gedrag van Ajaaz leert ons, dat wij niet moeten klagen als wij problemen krijgen. Als Allah Ta Ala ons ontelbare gunsten heeft geschonken, waarvoor ons dankwoorden tekort schieten, waarom zouden wij bij enkele tegenslagen al beginnen te klagen? Zelfs problemen zijn voor ons gunsten van onze Heer, want als wij verdraagzaamheid betuigen in nood, zullen wij daarvoor uitermate beloond worden door Hem. Hij is Genadig voor verdraagzamen.
20. Hazrat Jahja’s vermaningen aan zijn broer
Hazrat Jahja Ma’aaz Raazie had een broer, die naar Makka Al Moekarrama was geëmigreerd en zich daar voorgoed had gevestigd. Eens schreef de broer aan Hazrat Jahja een brief waarin hij hem vertelde over zijn drie wensen.
Daarvan waren twee met de wil van Allah Ta Ala reeds vervuld. Hij had nog een wens over en vroeg Hazrat Jahja voor hem te bidden, dat deze laatste wens ook in vervulling zou gaan. Hij schreef Hazrat Jahja als volgt. “De eerste wens was, dat ik in mijn laatste dagen op een heilige plaats zou wonen. Deze wens van mij werd door Allah Ta Ala vervuld. Ik woon nu in de heiligste plaats ter wereld dichtbij het Huis van Allah. Mijn tweede wens was, dat ik als hulp een bediende zou hebben, hetgeen ook is gebeurd. Ik bezit een heel trouwe slaaf, die mij overal en altijd ten dienste staat. Mijn derde wens is om jou vóór mijn dood te ontmoeten. Ik hoop, dat deze laatste wens van mij, indien Allah het wil, ook in vervulling gaat.”
Hazrat Jahja schreef het volgende antwoord voor zijn gelukkige broer. “Jij denkt op de meest heilige plaats ter wereld een woonplaats te hebben gekregen. Het zou beter zijn, dat je zelf tot de beste schepselen probeerde te behoren. Waar jij dan ook zou gaan wonen, die plaats zou door middel van jou heilig worden. Denk er om, dat mensen niet heilig worden door hun woonplaats, maar de plaatsen worden beroemd door hun bewoners, indien dezen heilig zijn.” Hij schreef over de tweede wens van zijn broer het volgende: “Jij bent gelukkig met een slaaf, die jou dient. Indien jij enige waardigheid zou bezitten, zou je een dienaar van Allah Ta Ala niet tot jouw eigen slaaf maken om jou te dienen. Je zou hem de gelegenheid gunnen om Allah Ta Ala te dienen en zelf je eigen werk doen. Jij moest zelf een slaaf wensen te zijn van Allah Ta Ala in plaats van een meester van anderen. Daarin ligt de gelukzaligheid van dit leven en van het hiernamaals. Allah Ta Ala is de Meester van ons allemaal.”
Over de derde wens van zijn broer schreef Hazrat Jahja het volgende: “Het blijkt, dat je Allah Ta Ala bent vergeten, anders zou je niet wensen om mij te zien. Want wie Hem vergeten is, die alleen heeft de wens om mensen te ontmoeten. Ik geef je het advies om je aandacht zodanig op Allah Ta Ala te vestigen, dat jouw broer geen plaats krijgt in jouw gedachten. Lieve broer, als je Allah Ta Ala hebt gevonden, heb je alles gevonden, al ontmoeten wij elkaar hier op aarde niet. Als je mij hebt gevonden, heb je nog niets bereikt. Probeer Allah Ta Ala te vinden.”
21. De houten vrouw
Vier mannen, onder wie een beeldhouwer, een kleermaker, een goudsmid en een geestelijke gingen eens samen op reis. Omdat het onderweg nogal onveilig was, besloten zij ‘s nacht om de beurt de wacht te houden. Als eerste kwam de beeldhouwer aan de beurt. Omdat hij zich alleen ver-veelde, begon hij uit een boomstam een beeld te houwen. Voordat zijn wachttijd voorbij was vervaardigde hij het beeld van een zeer schone vrouw. Daarna maakte hij de kleermaker wakker, die na hem de wacht zou houden.
De kleermaker zag het beeld van een mooie vrouw en dacht het te voorzien van kleding. Zodoende zou hij de tijd kunnen doden en zich niet vervelen. Hij maakte een mooie jurk en kleedde daarmee de houten vrouw aan. Daarna maakte hij de goudsmid wakker, die volgens afspraak na hem zou waken. De goudsmid was ontsteld bij het zien van een heel mooi geklede beeldschone houten vrouw en zei tot zichzelf: “Ik moet mijn kennis ook aanwenden om dit beeld perfekt te maken.” Hij maakte gouden sieraden en voorzag de beeldschone houten vrouw daarvan.
Een tijd later maakte hij de geestelijke wakker, die als laatste aan de beurt kwam om de wacht te houden. De geestelijke was heel verdrietig, dat zijn drie kameraden hun vakkundigheid hadden bewezen, terwijl hij geen vakkennis had en niets kon bijvoegen aan het beeld. Heel terneergeslagen boog hij diep met zijn hoofd op de grond, verheerlijkte Allah Ta Ala en smeekte Hem om zijn eer te redden door het beeld levend te maken. Allah verhoorde zijn gebed en blies leven in het houten beeld, waardoor het in een beeldschone jonge vrouw veranderde.
Tenslotte brak de dag aan en werden de andere drie mannen ook wakker. Zij begonnen allemaal aanspraken te maken op de vrouw. De beeldhouwer zei, dat hij haar had gehouwen uit een boomstam, dus behoorde zij hem toe. De kleermaker dacht er echter anders over. “Ik heb haar voorzien van kleding,” zei hij. “Dus behoort zij mij toe.”
De goudsmid dacht rechten op haar te hebben, omdat hij haar sieraden had geschonken. De geestelijke zei: “Als jullie om de kleinigheden die jullie hebben gedaan menen, dat zij van jullie is, dan heb ik meer recht op haar. Zij was maar een beeld. Ik heb voor haar leven gebeden. Dat is toch veel belangrijker. Ze is dus van mij.”
Er dreigde een onenigheid te ontstaan tussen de vier reizigers, die samen al dikke vrienden waren geworden. De geestelijke stelde voor om het geval door een rechter te laten beslechten. De anderen stemden hiermee in en samen gingen zij naar de rechter van een dichtbijzijnde plaats. De rechter hoorde hen alle vier aan en besliste, dat de vrouw aan hemzelf zou toekomen, omdat de vier het niet eens konden worden met elkaar.
De vrouw had tot nu toe zwijgend alles meegemaakt. Nu begon zij zich ook te bemoeien met de strijd en vroeg of het niet rechtvaardiger was, dat zij zelf zou bepalen aan wie zij zou toebehoren. Dat voorstel werd door iedereen aanvaard. Daarop liep de vrouw naar een nabij gelegen bos toe en voegde zich tussen de aldaar staande bomen, terwijl ze zei: “Van hout ben ik gekomen en aan hout behoor ik toe.” Daarop veranderde zij weer in een boom.
Deze gelijkenis leert ons, dat wij een bron van afkomst hebben, die tevens onze laatste bestemming is. In de Qoer’aan Al Kariem lezen wij het volgende: “Van stof hebben Wij u geschapen en tot stof zullen Wij u terugbrengen.” Als er een kind geboren wordt, maken zijn ouders aanspraak op hem en zeggen, dat zij de ouders zijn.
De ooms en tantes zeggen, dat het hun nicht of neef is, dus behoort het ook hen toe. Broers en zusters eisen hem voor zichzelf op en zeggen dat het hun broer of zus is. Grootouders vinden dat zij er meer recht op hebben, daar het hun kleinkind is. Uiteindelijk zal het kind na op aarde te hebben geleefd aan de schoot van de aarde worden toevertrouwd van waar hij gekomen was.
Niets en niemand behoort een ander toe. Alle relaties zullen eens eindigen en wij zullen enkel en alleen voor God verschijnen. Dat zal op de Dag van Qiyaamat zijn.
22. Hazrat Hasan Basrie, de juwelenhandelaar
Hazrat Hasan Basrie (rahmatoellaahi alaihi) was een beroemde handelaar in edelstenen. Het was zijn gewoonte om koningen en regeerders van landen te bezoeken en hen als geschenk diamanten aan te bieden. Eens bracht hij een bezoek aan Rome met het doel om de keizer van deze stad ook te verblijden met zijn dure geschenken.
Daar aangekomen vernam hij, dat er ieder jaar door de keizer een bijzonder evenement werd georganiseerd, waardoor deze voorlopig niet te bereiken was. Hazrat Hasan Basrie werd door de eerste minister van de keizer uitgenodigd om deze speciale gebeurtenis bij te wonen, hetgeen hij heel graag deed. Hij zag dat er een heel mooie tent was opgezet in het midden van een plein, dichtbij het paleis van de keizer. De tent was opgetrokken van gouden en zilveren staven en platen, versierd met talrijke kostbare edelstenen. Rondom de tent hadden hoge officieren en legerfunctionarissen met volledige wapenuitrusting plaats genomen. Ook waren er alle beroemde medici van het land aanwezig. Verder waren alle geestelijken en voorgangers aan een andere zijde van de tent opgesteld. Tenslotte zag Hazrat Hasan Basrie een groep schone vrouwen staan, uitgedost in dure kledij met schalen vol juwelen.
Het bleek dat temidden van de tent het graf van een zoon van de keizer lag, die op zeer jonge leeftijd was gestorven. Jaarlijks kwam de keizer hier en verzamelde de edelen van het land om deel te nemen aan de ceremoniën rondom de herdenking van de overlijdensdag van zijn zoon.
Allereerst ging de groep geestelijken en voorgangers de tent binnen. Na een tijd lang gebeden te hebben, keerde deze groep schreiend terug. Daarna volgden de medici, die op hun beurt een tijd doorbrachten bij het graf van de prins. Ook zij verlieten tenslotte de tent. Als derde kwamen de edelen en legerfunctionarissen aan de beurt, die met militaire eerbetoon de tent betraden en verdrietig terugkeerden. Als laatste betraden de vrouwen de tent. Zij liepen een poosje rond het graf, bezongen klaagliederen om hierna huilend terug te keren. Uiteindelijk ging de keizer bij het graf van zijn zoon staan en sprak hem als volgt toe: “O mijn zoon, ik houd veel van jou. Jammer, dat je mij hebt verlaten. Ik heb de beste geestelijken gebracht om voor jouw leven te bidden, maar helaas, Degene Die jouw leven heeft genomen, geeft dat niet terug.”
De keizer vervolgde en zei: “Mijn zoon, er is een grote groep van de beroemdste geneeskundigen aanwezig om jouw leven terug te krijgen, maar Degene Die jou de dood heeft gegeven, luistert niet naar hen. Zijn besluiten zijn vast. Mijn zoon, de leiding van een sterk leger is hier aanwezig. Maar Degene Die jou in Zijn macht heeft, is niet bang voor welk leger ook. Hij zal jou niet loslaten.”
De keizer keek naar de vrouwen met juwelen en zei: “Mijn zoon, de schoonheid van vrouwen en de waarde van juwelen kunnen Degene Die jouw leven in Zijn handen heeft niet beïnvloeden. Ook die zijn niet in staat geweest om jou het leven terug te laten krijgen. Mijn zoon, ik neem nu afscheid van jou voor een jaar.”
Na dit gezegd te hebben verliet ook de keizer de tent en iedereen ging naar huis. Hazrat Hasan Basrie dacht na over wat hij allemaal had gezien en gehoord. Hij was sterk onder de indruk geraakt van dit alles.
Hij zegde zijn beroep van juwelenhandelaar vaarwel en trok zich eenzaam terug. Hij begon zich te verdiepen in de waarde van het aardse leven en in God, de Almachtige en besloot nooit meer te zullen lachen. Hij werd een ware dienaar van God en stierf als een grote walie van Allah.
23. Moeite blijft nooit onbeloond
Een koning zag eens op een van zijn reizen door zijn land een grijsaard bezig kokosbomen te planten. Hij verbaasde zich over deze stokoude man, die zo ijverig bomen plantte, waarvan hij de vruchten zeker niet zou kunnen plukken.
Hij vroeg aan hem: “Opa, denk je van dit werk ooit het loon te kunnen krijgen?” De oude man zei: “Sire, wat bedoelt u met deze vraag?” De koning vroeg of hij dacht nog in leven te zijn, wanneer het tijd zou zijn voor deze bomen om vruchten te dragen.
De oude man zei: “Sire, ik heb de vruchten geplukt van de kokosbomen, die mijn grootvader had geplant. Ik plant deze bomen met de bedoeling, dat mijn kleinkinderen ervan zullen genieten.”
De koning was verbaasd over dit grappige, doch leerrijke antwoord van de oude man en schonk hem uit vreugde duizend dinars.
De oude man kon zich op deze gift van de koning een schaterlach niet bedwingen. De koning vroeg hem waarom hij zo lachte, waarop de man zei: “Sire, ik verwonder mij over het loon van mijn werk, dat ik nu reeds heb gekregen, terwijl u daarnet twijfelde of ik het ooit zou kunnen ontvangen.”
De koning was zodanig onder de indruk van deze wijze woorden van de grijsaard, dat hij hem nogmaals duizend dinars schonk. De oude man lachte weer. De koning zei: “Waarom moet u weer lachen?” De grijsaard merkte op, dat hij het loon voor dit werk tweemaal gauw achter elkaar had gekregen, zonder daarop te hebben gerekend. Normaal zou een landbouwer slechts een keer per jaar oogsten. De koning gaf de grijsaard nogmaals duizend dinars en vervolgde verder zijn weg.
Dit verhaal leert ons, dat wij tot het laatste moment van ons leven moeten doorzetten en werken voor ons eigen welzijn en voor dat van onze toekomstige generaties. Wij moeten nooit ophouden met werken.
24. Het gewicht van een zak aarde
De gouverneur van een land liet eens een paleis bouwen, maar had daarvoor de grond van een arme weduwe nodig. Hij vroeg de weduwe om hem het perceel te verkopen. Deze weigerde het perceel hoe dan ook af te staan, want het was voor haar een herinnering aan haar overleden echtgenoot. De gouverneur werd boos en onteigende het perceel van de arme vrouw.
Nadat het paleis gebouwd was en er een mooie tuin was aangelegd op het perceel van de weduwe, kreeg deze opdracht om het bouwvallige krot waarin zij woonde te slopen. Ten einde raad begaf de weduwe zich naar de rechter en deed bij hem haar beklag tegen de gouverneur.
Deze hoorde de vrouw heel aandachtig aan en stelde haar gerust met de woorden: “Heb geduld. Ik zal op een daartoe geschikt moment de gouverneur laten inzien, dat hij onterecht heeft gehandeld.”
Eens toen de gouverneur heel rustig in zijn tuin zat te genieten van de geur van bloemen en het gezang van vogels, kreeg hij bezoek van de rechter. Deze kwam naar hem met een lege zak en een schop en vroeg een zak aarde te mogen graven uit de tuin van de gouverneur.
Wij begrijpen wel, dat de gouverneur heel verbaasd moet zijn geweest met dit vreemde verzoek van de rechter. Wat bezielde deze hoge functionaris, dacht hij? Hij liet hem echter zijn gang gaan en stemde toe, dat de rechter een zak aarde uit zijn tuin kon nemen.
Het koste de rechter, die niet gewend was met spaden en houwelen te werken, nogal wat moeite en tijd om de zak te vullen. Eindelijk was hij zover, dat hij de zak met aarde op zijn lastdier kon laden.
De zak was echter zwaar. Zeker te zwaar voor de rechter, die nooit zo hard lichamelijk werk had gedaan. Luidop, zodat de gouverneur het kon horen, zei hij: “Wat moet ik doen, hoe krijg ik deze zak op de rug van mijn lastdier? Ik zie niemand, die mij daarmee kan helpen.” Met een kleine aarzeling, vroeg hij de gouverneur, die hem tot nu toe met belangstelling had gadegeslagen, om hem te helpen de zak aarde op te tillen. De gouverneur vond het wel een beetje brutaal, maar voldeed toch aan het verzoek van de rechter.
Hoe hij zich echter ook inzette, hij kon de zak aarde niet eens enkele centimeters optillen. Met verlegenheid moest hij na enkele pogingen toegeven, dat dit niet het werk was van een gouverneur.
De wijze rechter achtte nu het moment geschikt genoeg om de gouverneur aan te spreken over de grond van de oude weduwe. Hij zei: “Meneer de gouverneur, als het gewicht van een zak aarde uit het perceel van de oude weduwe voor u te zwaar is en u kunt het niet optillen, hoe zult u dan op de Dag van het Oordeel in staat zijn om de zware last van haar gehele perceel te dragen, dat u haar onrechtmatig afhandig heeft gemaakt?”
Deze woorden van de wijze rechter hadden grote invloed op de gouverneur, die niets anders kon doen dan verbluft voor zich heen te staren. De rechter vervolgde zijn vermaningen en zei: “Als u vandaag niet in staat bent om mij een antwoord te geven, hoe zult u dit onrecht dan aan Allah Ta Ala verantwoorden?” De gouverneur toonde berouw voor zijn misdadig gedrag tegenover de weduwe en schonk haar het perceel met paleis en al en besloot voor zichzelf geen paleis meer te bouwen. Hij kreeg vrees voor de Dag van het Grote Oordeel.
Dit verhaal verschaft ons het besef, dat alle onrecht door ons hier op aarde gedaan heel zwaar zal zijn om te dragen op de Dag van Qiyaamat. Wij moeten ons nu bij degenen, aan wie door ons onrecht is aangedaan verontschuldigen, voordat de dood ons treft en het te laat wordt. Wij moeten niets overlaten voor de Dag van Qiyaamat.
25. Succes in dit leven en in het hiernamaals
Eens kwam een sahaabie bij Rasoeloellaah (sallallaahoe alaihi wa sallam) en zei, dat hij over de successen van dit leven en van het leven na de dood wilde vragen.
Rasoeloellaaah (sallallaahoe alaihi wa sallam) gaf hem toestemming om zijn vragen te stellen met het volgende zeer leerrijke vraaggesprek als gevolg.
Wat moet ik doen om mijn kennis te verrijken? Vrees Allah, je zult zeer veel kennis krijgen. Hoe kan ik rijk en zelfstandig worden? Leef armoedig, dan zul je zeer rijk en zelfstandig worden. Wat maakt mij tot een goed mens? Doe goed voor anderen, dan zul je de beste mens worden.
Wat maakt mij rechtvaardig? Wens anderen hetzelfde toe als voor jezelf, je zult dan rechtvaardig worden.
Wat maakt mij tot een goed dienaar van Allah Ta Ala? Gedenk Hem veel, dan zul je Zijn beste dienaar worden.
Wat moet ik doen om tot de gehoorzame dienaren van Allah te behoren? Vervul je plichten jegens Hem. Je zult dan tot Zijn gehoorzame dienaren behoren. Hoe kan ik op de Dag van Qiyaamat licht krijgen in de duisternis? Doe geen onrecht aan anderen, dan zul je licht hebben in de duisternis van de Dag van Qiyaamat. Wat moet ik doen om de genade en het erbarmen van Allah te krijgen? Wees genadig jegens jezelf en jegens de schepping van Allah, daardoor zal Hij ook genade en erbarmen met jou hebben.
Wat moet ik doen om niet te zondigen? Blijf vergiffenis vragen aan Allah. Dat zal je afhouden van zonden.
Ik verlang ernaar om een welgesteld mens te zijn. Hoe word ik dat? Wees altijd rein en schoon, daardoor zal armoedigheid veranderen in welgesteldheid.
Hoe kan ik tot de vrienden van Allah en Zijn profeet behoren? Heb de geliefden van Allah en Zijn profeet lief en vermijd de vijanden van Allah Ta Ala en Zijn profeet (sallallaahoe alaihi wa sallam). Zo zal je tot de geliefden van Allah Ta Ala en Zijn profeet behoren.
Hoe kan ik gered worden van de toorn van Allah? Wees niet kwaad op anderen, dan zul je gered worden van de toorn van Allah. Ik wil, dat mijn zonden en gebreken verborgen blijven. Hoe bereik ik dat? Verberg de zonden en gebreken van anderen, dan zal Allah Ta Ala jouw zonden en gebreken verbergen.
Wat kan mijn zonden uitwissen? Tranen uit berouw en een slechte gezondheidstoestand wissen zonden uit. Welke goede daad wordt door Allah het hoogst gewaardeerd? Goede manieren, tevredenheid over hetgeen Allah voor u heeft bepaald, verdraagzaamheid en nederigheid.
Welke slechte eigenschap is de meest afkeurenswaardige? Slechte manieren. Wat kan de toorn van Allah afkoelen? Liefdesgaven en goede relaties met bloedverwanten.
Wat kan de hitte van de hel afkoelen? Het vasten koelt de hitte van de hel af.
26. Kennis is het beste wapen
Satan houdt iedere dag vóór zonsondergang met al zijn onderdanen een vergadering, waarbij een evaluatie wordt gemaakt van de vorderingen en successen van de duivels betreffende de afgelopen dag.
Er wordt op deze vergadering door de onderdanen rapport uitgebracht over de misdaden, waartoe zij de dienaren van Allah Ta Ala hebben kunnen verleiden.
Een van hen staat op en zegt heel trots, dat hij iemand tot de drank heeft verleid. Een andere duivel staat op en rapporteert een dienaar van Allah tot ontucht te hebben gedreven. Sommigen hebben moorden laten plegen. Weer anderen scheppen op, dat zij tweedracht hebben gezaaid en ruzie hebben gesticht. Satan complimenteert hen allemaal en bedankt hen voor hun succes in het verleiden van de dienaren van Allah Ta Ala. Plotseling staat een duivel op en doet melding van het weerhouden van een student om naar de madrasa te gaan. Satan springt heel enthousiast op en omhelst hem, terwijl hij zegt: “Jij hebt groot werk verricht, jij hebt groot werk verricht.”
De andere duivels worden jaloers en merken op dat hun moeite geen erkenning krijgt. Zij hebben zulke grote misdaden laten plegen, maar hun meester heeft hen niet omhelsd. Een van hen stopt een student om naar de madrasa te gaan en dat wordt zo hoog gewaardeerd.
Satan antwoordt hen en zegt: “Jullie weten het niet. Wat deze collega van jullie heeft gedaan is eigenlijk de wortel van alles wat jullie samen hebben bereikt. Als de door jullie verleide mensen kennis hadden, zouden zij geen zonden hebben begaan. Laat ons maar naar een plaats gaan waar er een aalim (geleerde) woont en waar er ook een aabid (vrome) aanwezig is, die geen aalim is.”
Zij begeven zich samen naar die plaats en in afwachting van de fadjr houden zij zich dichtbij een masdjid op. Het is bijna fadjrtijd. Zij zien de vrome, die geen aalim is, haastig in de richting van de masdjid lopen. Satan neemt een menselijke gedaante aan en nadert de vrome. Hij groet hem. Deze groet terug en vraagt wat er is, want hij moet naar de masdjid voor de fadjrnamaaz. Satan zegt: “Ik wil wat vragen als u mij dat toestaat.” De vrome zegt: “Vraag maar vlug, want ik heb haast.” Satan haalt uit zijn hemdzak een kleine fles en vraagt hem, of Allah Ta Ala in staat is de hele wereld met aarde en hemelen in deze fles te zetten. De vrome denkt even na en zegt: “Wel, vind je niet zelf dat de fles te klein is om de hemelen en de aarde, die zo groot zijn te bevatten?”
Satan schijnt gerustgesteld te zijn en bedankt de aabid, die haastig zijn weg naar de masdjid vervolgt. Hij richt zich tot de duivels en zegt: “Zie maar, hoe ik hem heb laten twijfelen aan de macht van Allah. Zijn aanbiddingen hebben geen waarde. Dat komt door zijn onwetendheid. Als hij kennis zou hebben, zou hij een ander antwoord hebben gegeven.”
De aalim loopt even voor zonsopkomst haastig naar de masdjid. Satan stopt hem om hem een vraag te stellen. Weer haalt hij de kleine fles tevoorschijn en vraagt aan de aalim of het waar is, dat Allah Ta Ala de gehele aarde en alle hemelen in dit flesje kan plaatsen.
De aalim zegt: “Vervloekt ben jij. Satan alleen kan zo’n vraag stellen. Allah is Almachtig. Wat is zo’n flesje? Als Hij het wil kan de gehele wereld met aarde en hemelen door het oog van een naald geplaatst worden.” Hij vervolgt zijn weg naar de masdjid. Satan zegt tegen de duivels: “Dit komt door het bezit van kennis.”
Kennis is het wapen tegen verleidingen. Dit betekent echter niet, dat degenen, die kennis hebben niet kunnen afdwalen. Kijk maar naar Satan zelf. Aan zijn kennis valt niet te twijfelen, maar hij dwaalde toch af. Dat kwam door zijn hoogmoedigheid. Wie kennis heeft gekregen en daar prat over gaat, verliest de zegen van Allah Ta Ala en kan zijn kennis niet gebruiken als wapen tegen de verleidingen van Satan. De geleerden dienen hun kennis te verspreiden ten voordele van de gemeenschap.
27. Het lezen van gedachten
In vroegere tijden was er een heel beroemde heilige (walie van Allah Ta Ala), die eens bezoek kreeg van de koning van zijn land. De walie had enkele appels in een mand liggen en bood de koning een daarvan aan. Hij zei: “Eet maar van het karige, dat ik u te bieden heb.”
De koning vroeg de walie om mee te eten en deze voldeed aan het verzoek. Te midden van de rest viel er een zeer mooie roodkleurige appel op. Als hij werkelijk een walie is, moet hij weten, dat ik die appel graag wil hebben, dacht de koning. Als hij mij die appel ongevraagd overhandigt, zal ik geloven, dat hij een walie is.
De walie overhandigde diezelfde appel aan de koning en zei: “Ik was eens naar Egypte gegaan, waar er een grote bijeenkomst was georganiseerd. Iemand kwam daar met een geblinddoekte ezel. Een voorwerp werd bij iemand verborgen en de ezel werd losgelaten om het te zoeken. Hij liep door de menigte heen en bleef met gebogen hoofd staan bij de persoon, die het voorwerp in zijn bezit had.”
Na dit gezegd te hebben, zweeg de walie een poosje. De koning dacht dat deze zijn verhaal zou vervolgen, maar dat bleef uit. Hij vroeg aan de walie: “Wat beoogt u met dit verhaal?” De walie antwoordde: “Ik heb je dit verhaal verteld, omdat volgens jou een walie gedachten moet kunnen lezen. Als hij dat niet kan, wordt hij niet geaccepteerd als walie. Als hij dat wel kan, wat is hij dan meer waard dan deze ezel, die zonder te zien precies weet waar het voorwerp verborgen is?”
Dit verhaal leert ons, dat het lezen van gedachten geen bijzonderheid is in de ogen van een ware moeslim. Dat kunnen ook bedrijvers van zwarte kunst doen. Een ware gelovige waardeert eerder degene die de regels van de sharie’at naleeft en zich houdt aan de geboden en verboden van Allah Ta Ala. Wij moeten ons niet laten verleiden door mensen, die valse indruk wekken met dergelijke praktijken, terwijl zij de sharie’at niet naleven.
28. De gelijkenis van de wereld
Iemand bevond zich eens ergens in een donker oerwoud op een verafgelegen plaats. Plotseling zag hij een leeuw op hem afkomen. Hij maakte zich uit de voeten, maar kon het niet lang volhouden. Uitgeput wilde hij het net opgeven, toen hij een grote kuil voor zich zag. Dat kon misschien zijn redding zijn, dacht hij.
Juist toen hij op het punt stond om in de kuil zijn toevlucht te zoeken, ontdekte hij daarin een groot monster met opengesperde muil. De leeuw was hem zo dicht genaderd, dat hij geen uitweg meer zag. Hij zag een boom naast de kuil, waarvan een tak dicht langs de grond hing. Haastig slingerde hij zich in de boom en dacht voorlopig in veiligheid te zijn.
Hij was nog nauwelijks van de schrik bekomen, of hij schrok nog heviger dan voorheen. Hij zag een zwarte en een witte muis knagen aan de tak waarop hij bescherming had gevonden. Het was voor hem overduidelijk, dat hij door het monster in de kuil verslonden zou worden, als de tak doorgeknaagd zou worden.
Plots werd zijn aandacht getrokken door iets bijzonders. Hij zag een honingrijke bijenkorf. Hij vergat de brullende leeuw, de opengesperde muil van het monster en de twee knagende muizen. Hij vergat het gevaar dat hem dreigde. Hij begon te smullen en te genieten van de zoetigheid van de honing totdat de tak waarop hij zat doorgeknaagd werd en hij regelrecht in de muil van de leeuw terecht kwam. Deze verscheurde hem, slurpte zijn bloed op en stootte zijn lichaam in de muil van het monster, dat hem verslond. De man schreeuwde het uit van angst, maar merkte dat hij in zijn bed lag. Hij kwam tot zijn grote opluchting tot het besef, dat het maar een droom was geweest. Wat leert deze droom ons? Als wij goed nadenken zien wij het volgende. Het oerwoud waarin de man zich in zijn droom bevond, kan vergeleken worden met de wereld. De leeuw is te vergelijken met de dood. De boom waarin hij was geklommen was zijn leven. De witte en zwarte muizen waren de dagen en nachten van zijn leven. De kuil was het graf, waarin wij allemaal eens zullen terechtkomen. De honingrijke bijenkorf was de verleidende zoetigheid van deze wereld, waardoor wij de gevaren van het leven, de dood, het graf en alles vergeten.
29. Diefstal
Hazrat Ahmad Harb was een walie van Allah Ta Ala. Er werd eens bij een buurman van hem diefstal gepleegd, waarbij deze enrstig werd benadeeld. Hazrat Ahmad Harb bracht met nog enkele vrienden een bezoek aan zijn buurman om hem te condoleren.
De buurman verwelkomde hen heel moedig en beheerst. Men kon helemaal geen verdriet aan hem bespeuren. Hazrat Ahmad zei: “Wij zijn u komen condoleren met het zware verlies. Moge Allah Ta Ala u bijstaan en sterkte geven.” De benadeelde zei zeer zelfverzekerd: “Ik moet Allah Ta Ala dankbaar zijn, dat anderen bij mij hebben gestolen en niet ik bij hen. Bovendien zijn niet al mijn bezittingen gestolen. Een groot deel daarvan heb ik nog behouden. Tenslotte ben ik beroofd van wereldse zaken. Mijn iemaan (standvastigheid in geloof) is gespaard. Die heb ik niet verloren. Moet ik Allah Ta Ala niet danken voor deze bijstand?”
Deze houding van de benadeelde leert ons, dat wij altijd een positieve opstelling moeten hebben in problemen, schade of verlies. Als wij schade lijden of benadeeld worden, moeten wij niet kijken naar het verlies, doch naar hetgeen wij nog hebben behouden en Allah danken, dat wij niet alles hebben verloren. Vooral als wij ons geloof, standvastigheid en vertrouwen in Allah over hebben, is er voor ons geen reden om te rouwen en verdrietig te zijn, want dat is de grootste rijkdom van de gelovige.
30. De positie van onze moeders
Iemand droeg zijn oude moeder zeven keren op zijn schouders te voet naar de hadj. De zevende keer, toen hij bezig was met de tawaaf (het lopen rondom de Kaba Shariefa) dacht hij, dat hij nu wel de plichten jegens zijn moeder zou hebben vervuld. Immers, hij had zijn moeder zeven keren naar de hadj gedragen.
Diezelfde nacht hoorde hij in zijn droom een stem, die zei: “Je was nog een baby. Het was op een zeer koude winternacht. Je moeder had jou naast zich gelegd om te slapen. Je plaste op de enige matras van je moeder. Deze stond in de koude nacht op, waste de matras en legde die bij de haard om te drogen. Zij ging met haar rug op de kille grond liggen en legde jou op haar borst om je warm te houden. Denk je al de plichten jegens je moeder te hebben vervuld? De plichten van die ene nacht zijn nog niet eens vervuld. Denk jij alles wat zij haar gehele leven lang voor jou heeft gedaan te hebben vergolden?”
Kinderen hebben vele verplichtingen jegens ouders. Hoe kinderen hun ouders ook van dienst zijn, de weldaden van ouders aan kinderen kunnen geenszins vergolden worden. Jammer, dat er tegenwoordig kinderen zijn, die dat niet willen begrijpen. Hoe vaak klagen ouders niet, dat hun kinderen hen brutaliseren en verdriet bezorgen?
Rasoeloellaah (sallallaahoe alaihi wa sallam) heeft gezegd, dat het paradijs aan de voeten van onze moeders ligt. Dat betekent, dat wij onderdanig en gehoorzaam moeten zijn aan onze moeders als wij een plaats willen krijgen in het paradijs. Een bekend rijmpje luidt als volgt: “Schoner dan de schoonste edelsteen is moeder’s hart alleen.”
31. De levensduur van de mens
Eens werd een vrome in het hof van een koning lofprezen door de edelen van het hof. De koning hoorde dit en ontbood de vrome voor een ontmoeting. Deze was nauwelijks bij de koning aangekomen of hij zei luidop: “Moge de koning langer dan duizend jaar leven.”
Met teleurstelling in zijn stem zei de koning: “Hoe kan een beroemde heilige zulke onnozele uitlatingen doen? Kan iemand soms duizend jaar leven? Je hebt reeds met je eerste woorden je domheid bewezen.”
De vrome antwoordde: “Het leven van de mens berust niet op de vereeuwiging van zijn lichaam. Wie de leiding over een volk krijgt, kan door rechtvaardig en godvrezend te zijn ook na de dood voort blijven leven in de harten van de mensen en in de geschiedenis van zijn volk. Dat had ik ook bedoeld toen ik u een leven van duizend jaar toewenste.”
Dit verhaal leert ons, dat lichamelijke vereeuwiging niet het belangrijkste is voor de mens. Belangrijker is, dat men door deugdzaamheid, godvrezendheid, rechtvaardigheid en een goed karakter de liefde van zijn medemens verwerft. Dat zal hem ook na het vergaan van zijn lichaam in het graf in leven houden in de gedachten van de mensen.
Moge Allah Ta Ala ons bijstaan
en door Zijn genade op het rechte pad behouden
en ons behoeden voor iedere vorm van dwaling. Aamien.
Wa sallallaahoe ta ala alaa habiebihie sayyidinaa moehammadinw wa alaa aalihie wa as’haabihie adjma’ien bi rah’matika jaa arhamar’raahimien.